Onverwacht

Uil op vensterbank, in de tuin van het Rockoxhuis

Toch een onverwachte gebeurtenis, zo’n uiltje op de vensterbank.

Paarden in de Keizerstraat

En twee mooie paarden komt men ook niet alle dagen tegen in de Antwerpse Keizerstraat. Voor hen brak de zon door de wolken, boven mij barstte een plensbui los die het hele concept zomergarderobe belachelijk maakte. Hoezo, u draagt een katoenen jurk en open schoenen in juni? Jeans, laarzen en regenjassen, die heeft een mens hier nodig!

Familie

Gisteren werd in de extra verfraaide tuin van het Rockoxhuis het nieuwe boek van Noëlla Elpers voorgesteld: Malou van de mussen. Ik verheug mij erop om deze jeugdroman, grotendeels gesitueerd in het Rockoxhuis, te lezen. Noëlla Elpers vertelde ons dat ze veel details uit onze Rockoxbiografie gebruikt heeft voor de opbouw van haar plot en personages. Vorig jaar schreef Peter Holvoet-Hanssen een prachtig stadsgedicht over Rockox, dat nog steeds op groot formaat in de tuin te bewonderen is; dit jaar is er Malou. Het is een wat ongewone, mooie ervaring, om boeken en gedichten ook een familie te zien vormen.

Tuinfeest

Crispijn de Passe, Lente, uit Hortus Floridus, 1614

“Zijn de mensen je tot last? Hier zul je tot jezelf komen. Hebben bezigheden je uitgeput? Hier zul je met nieuwe kracht vervuld worden, waar de geest het voedsel van de rust vindt en uit de zuivere lucht inspiratie tot een nieuw leven opdoet. Neem de wijsgeren van vroeger: in tuinen hebben zij gewoond; de geleerden van vandaag: in tuinen scheppen zij genoegen en daar zijn hun meeste, goddelijke geschriften ontstaan, die wij bewonderen en die geen ouderdom en loop der tijden zullen doen verdwijnen. Aan het groenbegroeide Lyceum danken wij vele uiteenzettingen over de natuur, aan de belommerde Academie vele ook over de zeden, en uit die ruime tuinen hebben zich de rijke stromen der wijsheid verbreid, die wij drinken, en die met hun vruchtbare watervloed de aarde overstroomd hebben. Natuurlijk verheft de geest zich meer en richt hij zich meer naar het hogere, wanneer hij vrij en ongebonden zijn hemel ziet, dan wanneer hij in de kerkers van huizen en steden opgesloten en vastgebonden wordt.”

Aldus Carolus Langius omstreeks 1570 in zijn beroemde tuin bij Luik, tot Justus Lipsius. Lipsius bewerkte hun gesprekken later tot de bestseller De Constantia.  Zelden zal uit een filosofische verhandeling over ongelukken en burgeroorlog zoveel liefde voor tuinen hebben gesproken. Bewonderaars van Lipsius hebben er zeker groene vingers van gekregen. Een van hen was Nicolaas Rockox. Het museum Rockoxhuis pakt de komende maanden uit met een mooie kleine tentoonstelling om en rond zijn binnentuin.

Justus Lipsius, Over de standvastigheid bij algemene rampspoed, vertaald door P. Schrijvers, Baarn, 1983, p. 91.

Rockox op Lichtmis

P.P. Rubens, De Opdracht in de tempel, kathedraal, Antwerpen

“Op 7 september 1611 bestelde Rockox als voorzitter van de Kolveniersgilde een drieluik bij Pieter-Paul Rubens. De Kruisafneming was bestemd voor het altaar van de gilde in de kathedraal en bepaalt nog altijd mee de uitstraling van Antwerpen. Was de Kruisoprichting in de Sint-Walburgiskerk een kolkend tafereel vol wrede Sturm und Drang, hier toonde Rubens al zijn talent in de uitbeelding van ingetogenheid.[…] De patroonheilige van de Kolveniersgilde was Sint-Christoffel, een legendarische heilige wiens naam drager van Christus betekent. Daarom toonde Rubens op elk paneel hoe Christus gedragen werd. Links schilderde hij de ontmoeting tussen Maria en Elisabeth, daar draagt Maria het kind in zich – de Nederlandse kunstcriticus Conrad Busken Huet noemde dit de mooiste afbeelding van een zwangere vrouw in de kunstgeschiedenis. Rechts houdt de oude priester Simeon de baby in zijn armen bij de opdracht in de tempel.[ …] Rubens beeldde burgemeester Rockox ontspannen glimlachend achter Simeon af. ” In profiel, zoals de personages op Rockox’ geliefde antieke munten. Het tafereel herinnerde de eerste toeschouwers misschien nog aan Rockox’ lidmaatschap van de prestigieuze Besnijdenisgilde van de kathedraal, vermits Christus’ besnijdenis gewoonlijk ook in een tempel, met een priester erbij, werd voorgesteld.

L. Huet en J. Grieten, Nicolaas Rockox 1560-1640. Burgemeester van de Gouden Eeuw, Antwerpen, 2010, p. 190-191.

Beeldenstorm

Waltmans kapel

“De hemel besloot tot zijn eigen beeldenstorm. Ze hagelden neer, de beeldjes met hun blauwe jurken, hun zwarte gezichten, en bleven hangen tussen de takken van lindebomen en in oude eiken. Ze vielen neer in akkers om te wachten op spelende kinderen, in greppels om verdwaalde reizigers bij te staan. Ze beschermden tegen struikrovers, ze genazen zieken, ze verzamelden zilveren dankbrieven en een garderobe van brokaat en parels – maar als de armen gewoon boter en eieren brachten, was het ook goed.
Frater Waltman, pastor en persona van alles waar zijn blik nabij en ver weg op kon rusten – de grote salon, de Bloemenkamer, waar zijn slapende voorganger wegzakte in zijn roodleren stoel, de snoekengracht, het speelhuisje boven het water, de boomgaard, de hoeve die in zijn tafelgenoegens voorzag, de velden en beemden die toebehoorden aan zijn abdij, de kerktoren waarin hij de nieuwe klok had laten hangen – overdacht dit vreemde manna van heiligheid. De oorlog had zijn dorp bijna verwoest, en de meeste andere dorpen in zijn omgeving. Pas de laatste jaren heerste er weer rust. Hij wist dat die niet zou duren. Hij was opgegroeid met het geweld.”

Morgen: lezing over Nicolaas Rockox voor de Erfgoedkring Hoogstraten. Aangezien Rockox Antoon Van Dyck protegeerde, en Antoon Van Dycks jongste broer pastoor was in de Hoogstratense deelgemeente Minderhout, zal ik toch een paar mooie banden kunnen strikken tussen de Antwerpse burgemeester en de Noorderkempen. Waltman Van Dyck O.P. restaureerde zijn parochiekerk na de Tachtigjarige Oorlog en liet in het jubeljaar 1650 ook een barok kapelletje op den akker bouwen, dat er mooier dan ooit bijstaat. Het archiefonderzoek naar Waltmans bouwcampagnes inspireerde me in 2001 tot een verhaal voor De Kunstkamer, waaruit ik morgenavond wellicht een stukje zal voorlezen.

16 december, 20 u, Zaal Sint-Cecilia, Gelmelstraat Hoogstraten. (Foto Beeldbank Hoogstraten)

451 kaarsjes

Album Amicorum Nicolaas Rockox, Rubenshuis, Antwerpen

Wanneer het onderwerp van een biografie die je geschreven hebt zijn 451ste verjaardag viert, dan is dat een heuglijke gebeurtenis. Nicolaas Rockox zag het levenslicht in de Keizerstraat in Antwerpen op 14 december 1560 en dat vierden zijn biografen vandaag op bescheiden maar aangename wijze met een crème-anglaisehoorntje bij de lunch.

Rode veeg

Antoon Van Dyck, Portret van burgemeester Rockox, 1621 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Ziet u die rode veeg, boven de linkerhand van de burgemeester? Die okerkleurige stip, op de schouder van de kleine bronzen Herculesbuste? Antoon Van Dyck nam een penseel en zette een rode lijn boven de hand van zijn opdrachtgever, hij nam een ander penseel en trok een lichte streep over de neus van de Jupiterkop, toetste een enkele vlek op de bronzen schouder, om achteloos het licht te vangen. Sprezzatura. We zagen de schilder aan het werk, alsof hij net nog in de kamer was geweest. Het leverde een bijzonder moment op, de burgemeester ontmoeten in Amsterdam. Het portret bleek ‘in het echt’ veel sterker dan foto’s laten vermoeden. Misschien heeft de schilder niet de kans gehad om het helemaal af te werken. Nicolaas Rockox keek ons streng aan, ook al zijn we z’n biografen. Hij zag er intelligent uit, en vastberaden. Charmant, die ongetemde, wat warrige lok op zijn kruin.

‘Rubens, van Dyck en Jordaens’, tot 16 maart 2012 in Hermitage, Amsterdam.

Hermitage

Kanaal in Amsterdam

Binnenkort ga ik naar de Hermitage in Amsterdam – een idee dat tien jaar geleden nog absurd zou hebben geklonken, zo bevreemdend als de geografie van Antiterra in Nabokovs roman Ada. Ooit trachtte Abraham Ortelius een kaart te tekenen van More’s Utopia – is er een hedendaagse geograaf die Antiterra in kaart brengt, met haar wonderlijke versmelting van Rusland, Europa en Noord-Amerika?

En in de Hermitage in Amsterdam zal het portret te zien zijn dat Antoon Van Dyck in 1621 schilderde van burgemeester Rockox. Ongetwijfeld een bijzondere ervaring voor de burgemeester, die reis naar het vertrouwde en toch ooit vijandige noorden, 390 jaar na het einde van het Bestand.

Gouden eeuw

Clara Peeters, Zelfportret met vanitasmotief, Rafael Valls Gallery, Londen

Zaterdag spraken we over burgemeester Rockox op een congres over de Gouden Eeuw in Gent. Is de Gouden Eeuw een strikt Noord-Nederlands begrip of kan men in de zeventiende eeuw ook spreken van een Gouden Eeuw voor de  provincies van het Zuiden? Kunsthistorici zullen geneigd zijn “ja” te antwoorden: nooit genoten lokale kunstenaars tijdens hun leven zoveel roem als Rubens en Van Dyck, nooit bouwden er in hun voetsporen zoveel schilders en beeldhouwers een bloeiende internationale loopbaan uit. En men zou, zeker voor de eerste helft van de zeventiende eeuw, nog andere gunstige factoren kunnen aanhalen.

Het deed me nadenken over dat hele begrip, Gouden Eeuw. Wat definieert een gouden eeuw eigenlijk? Leven wij, die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgegroeid in vrede, welvaart en democratisering, in een Gouden Eeuw? Of beleven we veeleer een periode die vergelijkbaar is met die van de volksverhuizingen, aan het einde van het Romeinse Rijk? Zal de slordig in elkaar geknutselde Europese Unie als een reus op lemen voeten instorten, net zoals het ongeziene wereldrijk van de Habsburgers in de zestiende eeuw scheurde?

De mooiste beschrijving van een gouden tijdperk vind ik nog steeds die van de achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon. Zijn toetssteen lijkt niet op de eerste plaats een welig tierende economie, maar de algemene graad van beschaving. In deze dagen, waarin alles om economische hysterie draait, is het belangrijk om dat voor ogen te houden. “In de tweede eeuw van de christelijke tijdrekening omvatte het Romeinse rijk het mooiste deel van de aarde en het meest geciviliseerde deel van de mensheid. De grenzen van deze omvangrijke monarchie werden bewaakt door oude roem en gedisciplineerde kracht. De zachte maar machtige invloed van wetten en zeden had geleidelijk een eenheid tussen de provincies bewerkstelligd. Hun vreedzame inwoners genoten van en misbruikten de voordelen van rijkdom en weelde. De illusie van een vrije grondwet werd met zedige eerbied in stand gehouden: de Romeinse senaat leek de soevereine macht te bezitten, en droeg aan de keizers al de uitvoerende macht over. Gedurende een gelukkige periode van meer dan negen decennia (98-190) werd het gezag toevertrouwd aan de bekwaamheden van Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius…”