November

Varkenshoeder in november, Très Riches Heures du Duc de Berry

Zo asgrauw als oktober is voorgesteld in de Très Riches Heures, zo diep van kleur is november. Het lijkt alsof het palet van beide maanden is verwisseld. Een forse herder heeft zijn varkens naar een eikenbos gebracht en gooit met een stok eikels uit de bomen, zodat zijn dieren zich kunnen voeden, enkele weken voordat ze worden geslacht en hun vlees een winter lang mensen in leven zal houden. Hammen en bloedworst en kop. Een sterke, ernstige hond slaat het gebeuren gade. We zien een aantrekkelijk landschap in drie dieptes, en een verrassend realistisch en huiselijk ogend kasteel op een heuvel. Alles oogt realistischer en huiselijker dan in de kalenderbladen die door de verfijnde gebroeders Van Limburg werden geschilderd. Deze miniatuur is dan ook ruim tachtig jaar na hun dood voltooid, door Jean Colombe uit Bourges, een leerling van Jean Fouquet (schepper van de verbluffende Madonna tussen cherubijnen en serafijnen, topstuk van het Antwerpse KMSK). Hij gebruikte ook heel mooi blauw, Jean Colombe – maar de intensiteit van het ultramarijn dat de hertog van Berry zijn hofschilders in het timpaan liet gebruiken, kon hij niet meer evenaren. Na de dood van de hertog trof men in zijn nalatenschap onder meer leren buidels aan, gevuld met exotische lapis lazuli, waaruit dat kostbare ultramarijn gewonnen werd – ongetwijfeld maakten zijn door schulden geplaagde erfgenamen deze zo snel mogelijk te gelde.

(Musée Condé, Chantilly)

Délie / L’idée

Wie weet wat er tussen twee bladzijden ligt te wachten? Al geruime tijd leef ik met de gedachte dat de grootste taaltovenaar in het Frans de dichter Stéphane Mallarmé moet zijn geweest. Nu sla ik een bloemlezing open en ontdek een zestiende-eeuwse dichter die net als  zijn taalgenoot verbijstert, prikkelt en meesleept: Maurice Scève.

Dans son poli, le tien Cristal opaque / Luisant en clair, par opposition / Te reçoit toute, et puis son lustre vaque / À te montrer en sa réflexion.

De tegenglans van uw Kristal vol duister / ontvangt u in zijn klare schittering / Geheel en al en opent dan zijn luister / om u te tonen in zijn spiegeling.

(vertaald door Paul Claes in De tuin van de Franse poëzie. Een canon in 100 gedichten, Amsterdam, 2011, p. 74-75. Foto via Couleurs)

Dagboek

Zwervend over het internet vond ik deze foto: enkele dagboeken van Henry David Thoreau, en een pakje potloden uit het familiebedrijf. Mooi toch, een familie van potloodfabrikanten die een schrijver voortbrengt? Hoe lang is het geleden dat ik Walden las, in een editie die rondslingerde bij de Slegte, met stoere houtsneden verlucht? Omdat mijn boeken verdeeld zijn over twee huizen, bevind ik me niet daar waar mijn Walden is, en dat spijt me plotseling acuut. Vlak bij de grens, in de logeerkamer, op de hoek van de schouw. Ongrijpbaar.

Zoals Thoreau een blokhut bouwen in het woud,  bij enkele heldere meertjes, en daar gaan leven: het blijft een krachtige droom. There are as many ways as there are radii to be drawn from a centre, meen ik me als moedgevende zin uit Walden te herinneren. En een schrijver die zowel het rozijnenbrood uitvond als de burgerlijke ongehoorzaamheid, hoe zou men die niet bewonderen?

(Foto via Book Oasis)

Rakker der grenzen

Achtung

‘”Hebt gij hun woorden begrepen,” vroeg de Vlaming aan zijn makker. “Ze willen dus al de Belgen als kippen in een kooi opsluiten.”
“Ja,” sprak de Plek, “maar dat zal hun nooit lukken, zolang er een rakker der grenzen bestaat.”‘

Deze zinnen zijn afkomstig uit een van mijn favoriete egodocumenten van de Eerste Wereldoorlog, het verslag dat Kempenaar Jan Vleugels naliet over zijn verzetsactiviteiten aan de Belgisch-Nederlandse grens. Hij smokkelde jongemannen die het Belgisch leger aan de Ijzer wilden vervoegen en vluchtelingen de grens over naar het neutrale Nederland (als handlanger van Edith Cavell, “Miss C” in zijn boek) en verwierf een ware Robin-Hoodstatus, toen hij erin slaagde uit de door Duitsers zwaarbewaakte gevangenis van Turnhout te ontsnappen. Hij is ook de uitvinder van het opvouwbare, houten en met rubber beklede raam dat tussen de electriciteitsdraden van de grensversperring – de Dodendraad – werd geplaatst, zodat mensen er door konden kruipen.

Vleugels, codenaam de Vlaming (die ik hem liet behouden in Almanak), wijdde een mooie beschrijving aan een nachtelijke passage met vluchtelingen in Wortel-Kolonie. Amper enkele honderden meters van de hier beschreven plaats lag mijn grootvader met zijn  broers te slapen in het ouderlijke huis.

“Stil, achter elkaar, sluipt men nu door een bosgracht. Even geluisterd, wat verder weer, tot men eindelijk een lichte schemering merkt aan het einde van de gracht. Hier moet het zijn, want men hoort reeds het gerinkel der draden. Welk een gevoel dringt zich op bij het naderen van een vrije bodem, maar die nu door dit doodsgevaar omringd wordt. Een onverklaarbaar verlangen naar een geheime kracht om die andere vrije bodem te bereiken, bekruipt ons. De vier personen moeten hier even wachten, terwijl de drie rakkers, kruipende op de knieën de toestand verkennen.

Het is een kwade nacht. Geen enkel windje ruist in de bomen. Men nadert de draad en hoort of ziet geen enkele Duitse wacht. Alles ziet er dus gunstig uit en men beveelt op de knieën zacht de draad te naderen. Een enkel paar stoort zich daar echter niet aan, en is bezig te flirten op zulk een gevaarlijk punt, dat men hier heeft bereikt.

De rakkers willen hun toestel plaatsen, maar daar hoort men een plons als van iemand die struikelde. Dit gerucht werd door de waakzame Duitsers opgevangen. Wat gebeurde er nu. De stille heide werd in een woest toneel herschapen. Er werd geroepen, geraasd en geschoten. Het geweervuur weergalmde in de bossen. Langs de kant van de uitwijkelingen werd geen weerstand geboden. Al wie vluchten kon, spoedde zich heen, ieder was nu verplicht op eigen krachten te handelen. […] Juist op het ogenblik dat de Vlaming de dreef wilde oversteken, versperden de Duitsers hem de weg met geweervuur. Een enkele kogel floot langs zijn oren, maar toch sprong hij nader en bereikte aan de overkant het struikgewas en verdween in de duistere bossen.”

J. Vleugels, De rakkers der grenzen, Ravels, tweede, herziene druk 1978, p. 25; 27-28 (eerste druk: 1930).

Dodendraad

De dodendraad in Wortel (foto via website Amalia van Solms)

Vannacht droomde ik, vreemd genoeg, van de Dodendraad. Ik lag ineengekrompen op de grond en hoorde de electriciteit door de staaldraad zingen. Als kind op het platteland heb ik uiteraard een ruime ervaring opgebouwd in het onder prikkeldraden doorkruipen, maar de Dodendraad heb ik zelf nooit gezien: de Duitse bezetter sloot er de Belgisch-Nederlandse grens mee af tijdens de Eerste Wereldoorlog. De dodendraad speelde een rol in het leven mijn beide grootvaders, die als kinderen vlakbij woonden. De ene werd getraumatiseerd door een afschuwelijk ongeluk dat niet ver van  zijn vaders huis aan de draad gebeurde: twee zussen wisselden pakjes uit door de grensversperring en werden allebei geëlectrocuteerd. Mijn grootvaders vader kreeg van de Duitse militairen het bevel om paard en wagen in te spannen en de lijken op te gaan halen. Ik gebruikte deze ervaring in mijn roman Almanak.

“De lichamen lagen uitgestrekt op bussels stro, er waren paardendekens overheen gelegd, en de dikke soldaat, Karl, de goede, die zich dikwijls liet omkopen, hield de wacht, het geweer in de aanslag. Achter hem ijsbeerde Von Erztum. Da sind sie ja endlich, snauwde hij. (Slechts eenmaal, met Kerstmis vorig jaar, toen ze met het hele gezin waren uitgenodigd in hun eigen beste kamer en daar voor de eerste keer een kerstboom vol kaarsen en snoepgoed zagen, had Frans de officier een andere toon horen aanslaan.) Machen sie vort, dies alles dauert schön viel zu lange! Dikke Karl, zo werd in het dorp al verteld, had de buurvrouw gered door zijn geweer op haar te richten toen ze in paniek Tabitha van de draad wilde losrukken en door haar toe te brullen dat ze niks mocht aanraken. De Duitsers hadden iemand naar de cabine in Wortel gestuurd om de electrische stroom uit te schakelen; zo konden ze het lichaam van Jouwke, gevallen op Hollands grondgebied, onder de prikkeldraad doortrekken. De zusters moesten nu samen worden begraven, al had de grensversperring hen meer dan een jaar van elkaar gescheiden.

Frans hoorde de draad zoemen. Voordat de Duitsers deze versperring hadden opgetrokken, kende hij geen electriciteit; nu stelde hij zich die vreemde kracht voor als onzichtbare bliksems die door de manshoge prikkeldraden heen en weer schoten, het verbaasde hem soms dat hun stekels niet knetterden van de withete vonken. Hij had al verkoolde hazen en katten gevonden op zijn zwerftochten, hun koppen zagen eruit alsof ze van binnenuit waren verbrand en ontploft. Dat bedroefde hem – wat konden de beesten eraan doen, aan de zotheid en de slechtheid van die mensen? Ze leefden gewoon in het veld en het onderhout, zoals alle hazen en katten voor hen hadden gedaan, sinds de schepping van de wereld.

Vlak bij de draad lag een klomp in het gras, zag hij, en aan de overkant een kannetje.”

10 november 1918

Virginie Loveling

“Welke nacht, de verledene!
Het is merkwaardig voor hem, wiens zenuwstelsel niet tot doodsangst is geschokt, die nog eenige vrijheid van waarnemingsvermogen bezit om de veelvoudige gevechtsgeluiden te ontleden: een algemeen oorverdoovend gedonder van rommelvuur met daartusschen knallen, monsterknallen van ’t grof geschut, in echo’s wegstervend en schijnbaar een waan wekkend, alsof in de onmiddellijke nabijheid op dezen zolder en op al de zolders in de buurt een strijdgeweld ontstaan was van titanen tegen elkaar, met molensteenen en rotsblokken, met knodsen of met ijzeren reuzenhamers tegen de binten van ’t huis aanbonkend, van dit huis niet alleen, van al de huizen in het ronde, zoodat de dakpannen schijnen neer te roffelen op de straat en het bouwmateriaal op den planken vloer boven het hoofd verbijsterend neergeslagen wordt.”

Uit het oorlogsdagboek van Virginie Loveling in Gent.

Brodsky’s les

Joseph Brodsky

“Ladies and gentlemen of the Class of 1984:

No matter how daring or cautious you may choose to be, in the course of your life you are bound to come into direct physical contact with what’s known as Evil. I mean here not a property of the gothic novel but, to say the least, a palpable social reality that you in no way can control. No amount of good nature or cunning calculations will prevent this encounter. In fact, the more calculating, the more cautious you are, the greater is the likelihood of this rendezvous, the harder its impact. Such is the structure of life that what we regard als Evil is capable of a fairly ubiquitous presence if only because it tends to appear in the guise of good. You never see it crossing your treshold announcing itself: ‘Hi, I’m Evil!’ That, of course, indicates its secondary nature, but the comfort one may derive from this observation gets dulled by its frequency.

A prudent thing to do, therefore, would be to subject your notions of good to the closest possible scrutiny, to go, so to speak, through your entire wardrobe checking which of your clothes may fit a stranger. That, of course, may turn into a full-time occupation, and well it should. You’ll be surprised how many things you considered your own and good can easily fit, without much adjustment, your enemy. You may even start to wonder whether he is not your mirror image, for the most interesting thing about Evil is that it is wholly human. To put it mildly, nothing can be turned and worn inside out with greater ease than one’s notions of social justice, civic conscience, a better future, etc. One of the surest signs of danger here is the number of those who share your views, not so much because unanimity has the knack of degenerating into uniformity as because of the probability – implicit in great numbers – that noble sentiment is being faked.

By the same token,  the surest defence against evil is extreme individualism, originality of thinking, whimsicality, even – if you will – eccentricity. That is, something that can’t be feigned, faked, imitated: something even a seasoned impostor couldn’t be happy with. Something, in other words, that can’t be shared, like your own skin: not even by a minority. Evil is a sucker for solidity. It always goes for big numbers, for confident granite, for ideological purity, for drilled armies and balanced sheets. Its proclivity for such things  has to do presumably with its innate insecurity, but this realization, again, is of small comfort when Evil triumphs.”

Zo begint een van de mooiste essays uit Josephs Brodsky’s beklijvende bundel Less than One. Verderop in de tekst verwijst hij kort naar zijn verblijf als politiek gevangene in een Russisch strafkamp en ontvouwt hij de meest intelligente interpretatie van het Evangelievers ‘Keer de andere wang’ die ik ooit heb gelezen.

Joseph Brodsky, Less than One. Selected Essays, Penguin Books, 1986, p. 384-385.

Geleerden

Is het serendipiteit wanneer een in de badkamer rondslingerend tijdschrift een gedicht over Catullus blijkt te bevatten? De Mededelingen van het Wijsgerig Gezelschap dan nog! William Butler Yeats consacreerde het romantische beeld van de dichter, Jan Eijkelboom vertaalde:

De geleerden

Kale hoofden, hun zonden vergeten,

Oude, geleerde kale hoofden vol respect,

Bewerken en annoteren de regels

Die jongemannen, woelend in hun bed,

Bijeenrijmden in wanhoop en liefde,

Om schoonheids onwetend oor te gerieven.

Allemaal schuifelen ze daar, hoesten in inkt;

Allen verslijten met hun schoenen het karpet;

Alleen denken wat elk ander vindt,

Allen kennen de man die hun buurman kent.

Heer, wat hadden ze te vertellen

Als hun Catullus aan zou bellen?

Catullus

Catullus uit Verona

Catullus herlezen is beseffen dat ik me mijn leven moeilijk zonder de impact van deze dichter kan voorstellen. Na jaren van historische verslagen en Romeins patriottisme van vroede vaderen deed Gaius Valerius Catullus zijn intrede in het klaslokaal als een popster, iemand die een taal sprak die tieners konden begrijpen.  Recht naar het hart. Misschien is er inderdaad geen betere leeftijd dan zestien om deze gedichten te leren kennen.

Wijzentijd

Woordenaar

Op de Boekenbeurs ontdekte ik een stand van de Provincie Antwerpen, in mijn ervaring een uitstekende boekenproducent. Voor een habbekrats vond ik er een publicatie over een Britse militaire basis in de Kempen die zo geheim was dat ik er zelfs nog nooit van had gehoord; over het pensionaat van de Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, waar mijn mooiste en ongelukkigste oudtante school liep; over de Antwerpse pantserforten. Het leeuwendeel van mijn buit bestond echter uit de ronduit meeslepende tentoonstellingscatalogus Portret van een woordenaar: Cornelis Kiliaan en het woordenboek in de Nederlanden (2007). Onze eigen Samuel Johnson, en veel eerder actief! Uit de heldere artikelen leer ik dat het Nederlands (nee, niet het Frans, niet het Italiaans) de best gedocumenteerde taal ter wereld is. Vooral sprokkel ik de meest verrukkelijke woorden. De niet te onderschatten bijdrage van Simon Stevin aan het Nederlands: evenwijdig, langwerpig, rechthoekig, schiksel, strijdreden, wiskunst, zingkunst, zichteinder. Zijn fantastische term voor aetas aurea of gulden tijdperk: wijzentijd. Kiliaans eigen woord kleertobbe (waskuip). En parels uit oudere woordenlijsten: Materfamilie of huysvrouwe (1480). Rosridio, uit het Nederfrankisch: joyriding te paard. Changisto: hengst. In ic quad vvie sal gevan mi fetheron also dvvon in ic fliugon sal in raston sal. En ik zei: wie zal mij veren geven als duiven, zodat ik weg zal vliegen en rust zal vinden. Omstreeks 950. Een ontroerende gedachte: dat we terug zouden kunnen tuimelen naar die tijd en daar verstaan wat mensen zeggen.