
“Zijn de mensen je tot last? Hier zul je tot jezelf komen. Hebben bezigheden je uitgeput? Hier zul je met nieuwe kracht vervuld worden, waar de geest het voedsel van de rust vindt en uit de zuivere lucht inspiratie tot een nieuw leven opdoet. Neem de wijsgeren van vroeger: in tuinen hebben zij gewoond; de geleerden van vandaag: in tuinen scheppen zij genoegen en daar zijn hun meeste, goddelijke geschriften ontstaan, die wij bewonderen en die geen ouderdom en loop der tijden zullen doen verdwijnen. Aan het groenbegroeide Lyceum danken wij vele uiteenzettingen over de natuur, aan de belommerde Academie vele ook over de zeden, en uit die ruime tuinen hebben zich de rijke stromen der wijsheid verbreid, die wij drinken, en die met hun vruchtbare watervloed de aarde overstroomd hebben. Natuurlijk verheft de geest zich meer en richt hij zich meer naar het hogere, wanneer hij vrij en ongebonden zijn hemel ziet, dan wanneer hij in de kerkers van huizen en steden opgesloten en vastgebonden wordt.”
Aldus Carolus Langius omstreeks 1570 in zijn beroemde tuin bij Luik, tot Justus Lipsius. Lipsius bewerkte hun gesprekken later tot de bestseller De Constantia. Zelden zal uit een filosofische verhandeling over ongelukken en burgeroorlog zoveel liefde voor tuinen hebben gesproken. Bewonderaars van Lipsius hebben er zeker groene vingers van gekregen. Een van hen was Nicolaas Rockox. Het museum Rockoxhuis pakt de komende maanden uit met een mooie kleine tentoonstelling om en rond zijn binnentuin.
Justus Lipsius, Over de standvastigheid bij algemene rampspoed, vertaald door P. Schrijvers, Baarn, 1983, p. 91.






