Liedjes

“Zooals andere Belgische schrijvers ontsnapt Max Elskamp niet aan het conflict. Geboren in Vlaanderen van een Vlaamschen vader en een Waalsche moeder, heeft hij slechts enkele woorden Vlaamsch geleerd.

En nochtans, sinds zijn jongelingsjaren was hij verrast en bekoord door de kleur en aangetrokken tot het eigenaardige rhythme van de taal en het Antwerpsche straatjesvolk. Van dan af onthield en verzamelde hij pittige en beeldrijke Antwerpsche uitdrukkingen, als zij maar oorspronkelijk waren en ontdaan van allen eerbied of van een smakelijke en vranke platheid.

Op het ogenblik, dat hij zich een vorm heeft eigen gemaakt, die door een heele boel kunstige geledingen verwant is aan den vorm van de Vlaamsche volksliederen, beleeft hij eensklaps de openbaring van treffende naïviteit van hun thema’s en van hun aanbiddelijken cadans, die met al deze lettergrepen speelt zooals de beiaard met de klokken.”

Henry Van de Velde, De poëtische vorming van Max Elskamp, vertaald door L. Zielens, (De Seizoenen nr 39), Antwerpen, 1943, p. 42-43. Houtsnede van Max Elskamp.

Ik heb geen stad meer

Je n’ ai plus de ville, Elle est soûle
Et pleine de coeurs rénégats,
Aux tavernes du Golgotha,
J’ en suis triste jusqu’ à la mort;
Je n’ ai plus de ville, Elle est soûle.

(Max Elskamp, II D’ anciennement transposé, Dominical, 1892). Foto via Gite-Belgique.

Honderdvijftig

Op 5 mei zal het honderdvijftig jaar geleden zijn dat  Max Elskamp (1862-1931) in Antwerpen geboren werd, bij hoogtij. U heeft het vast al gemerkt, in zijn geboortestad staan grootse feestelijkheden op het programma om de stichter-dichter van het Volkskundemuseum te herdenken. Aangezien men schrijvers, dode of levende, wellicht geen groter plezier kan doen dan door hun werk te lezen, zal ik me de komende dagen opnieuw verdiepen in zijn gedichten.

Over Max Elskamp

Dichter in Leuven

“Dans les années cinquante la ville de Louvain, à peine ressuscitée des cendres de la deuxième guerre mondiale, ouvrit ses portes à deux importants Roumains qui y cherchèrent un refuge: le poète Michel Stériade et le linguiste Sever Pop. Michel Stériade y a exploité un petit restaurant, situé dans la rue Saint-Martin, près de la caserne des artilleurs, aujourd’hui démolie et remplacée par un complexe d’immeubles. Il s’y retira avec ses livres pour y vivre ses dernières années. Dans ce restaurant, presque exclusivement fréquenté par des intellectuels, conduits par le chirurgien flamand Herman Verduyn, professeur à l’université, Stériade servait des mets roumains, récitait des poèmes, jouait du piano, chantait et entretenait ses clients comme un authentique cabaretier. Ce fut chaque fois une fête de se rencontrer en ce lieu de rendez-vous hebdomadaire. Il y diffusait également son Journal roumain.”

Eugène Van Itterbeek, Journal Roumain, Editura hora, Hermannstadt/Sibiu – Les Sept Dormants, Leuven, 2006, p. 166.

Toeval

Toevallig zag ik vrijdag een overlijdensbericht in de krant. Eugène van Itterbeek. Die naam – wacht – een lieve dame heeft me eens verteld dat ze hem ontmoet had in Roemenië, hij was een zeer goede verteller en schreef poëzie? Ze gaf me enkele boekjes van hem mee, die nu al te lang in mijn huis ronslingeren en die ik haar moet terugbezorgen. Ik open Instantanés Transylvaniens en vind mooie dingen, gedichten die me hier en daar herinneren aan de late Montale.

E. Van Itterbeek, Instantanés Transylvaniens, hora Verlag, Hermannstadt/Sibiu – Editions Les sept Dormants, Leuven, 2004, p. 76.

Na MSRW

Na Muriel Spark Reading Week, een wonderlijk aangegroeide stapel. Veel goeds in het verschiet.

Omdat Spark vaak verwijst naar het boek Job, heb ik dat ook maar eens gelezen. En nu vraag ik me af wie dat machtige stuk drama en poëzie heeft geschreven. Een Shakespeare van duizenden jaren geleden? Iemand met de bevrijdende gedachte dat welvaart geen bewijs is van rechtschapenheid, maar ook geen bewijs van het tegendeel. Kristalhelder op vele bladzijden, en dan plotseling weer zo bizar: drie dochters, die Tortel, Kaneelbloesem en Poederdoos heten?

Job is in elk geval een mens die moedig opkomt voor zijn eigen onschuld; God lijkt in dit Bijbelboek op een dronken opschepper in een café.

“And Harvey wondered again if in real life Job would be satisfied with this plump reward, and doubted it. His tragedy was that of the happy ending.”

Muriel Spark, The Only Problem, Penguin Books, 1995, p. 186.

Niet storen

Een roman van 91 bladzijden, licht in de hand, in drie uur tijd te lezen. Muriel Spark, Not to disturb, 1971. Wat een juweeltje. Denk aan clichés uit de Engelse letterkunde: de krankzinnige opgesloten op zolder, de perfecte butler Jeeves. Denk vervolgens aan algemene clichés uit de sensatiepers: adel, orgieën. Denk aan sensatiepers en films gebaseerd op causes célèbres. Muriel Spark wijdde er vijf hoofdstukken aan, op kalme wijze duivels van opzet en verrijkt met de beste, geestigste uitspraken en dialogen die ik ooit van haar las.

‘Ik zal de Baron morgen spreken. Ik moet hem spreken,’ zegt Mr. McGuire. – ‘Te laat,’ zegt Lister. ‘De Baron is niet meer.’- ‘Maar ik hoor zijn stem. Wat bedoel je?’ – ‘Laten we niet vasthouden aan vulgaire chronologie,’ zegt Lister.

‘Excuseer, Uwe Excellentie, dat ik mijn vrijetijdskleding draag. Ik ben Lister, de butler.’ – ‘Je ziet eruit als een staatssecretaris.’ – ‘Dank u, mijnheer.’ – ‘Het is geen compliment.’

(Heel even verwijst Spark ook weer naar het boek Job, dat haar dus wellicht een leven lang leesplezier heeft verschaft. Nu ik het zelf even ter hand heb genomen, stel ik vast dat het een verbijsterende brok poëzie is.)

Muriel Spark, Not to Disturb, New Directions Paperbook, New York, 2010.

Zie ook Stuck In A Book en Harriet Devine’s Blog

Non è poco

Hai dato il mio nome a un albero? Non è poco – die versregel van Eugenio Montale speelt door mijn hoofd wanneer ik de Japanse kerselaars in de tuin van mijn ouders zie bloeien. Heb je een boom mijn naam gegeven? Dat is niet niks. Dronken van Montales poëzie keerde ik uit Italië terug en plantte een boom, twee bomen – ach, het is een lang verhaal.

Zie ik de boom, dan denk ik soms in het Italiaans. Maar in deze grillige maand deed de aanblik van onschuldig doorbloeiende bloesems onder kille grijze luchten en in stortbuien me denken aan kindertijd en puberteit.

Vlieg op de muur

Ik verneem in de krant dat minister van Justitie Turtelboom tijdens een werkbezoek aan Marokko “straal genegeerd” werd door de Marokkaanse premier Abdelilah Benkiran. Als aanhanger van de islampartij PJD weigerde hij met een vrouw te spreken. Hij richtte zich alleen tot Turtelbooms collega Reynders, waarna hij zijn gedragslijn in de verf zette door Reynders te melden dat een tolk overbodig was, ze konden getweeën toch gewoon Frans spreken.

“Turtelboom was naar het schijnt furieus, maar wilde geen diplomatiek incident ontketenen door met slaande deuren te vertrekken.” Ik zou het wel leuk gevonden hebben als ze dat toch had gedaan. Ja, ik was graag een vlieg op de muur geweest bij deze bijeenkomst. Hoe reageerde Reynders op het onbeschofte gedrag van Benkiran? Wat zei hij? Probeerde hij Annemie Turtelboom onverstoorbaar toch bij het gesprek te betrekken of gaf hij haar met een blik te kennen dat er niets aan te doen was, “we zullen het hier later wel over hebben”? En wat zeiden de ministers tegen elkaar in het vliegtuig op de terugweg? Graag vernam ik wat meer over hun beweegredenen om geen diplomatiek incident te ontketenen, want die lijken me leerzaam voor een goed begrip van de Belgische buitenlandse politiek. Uiteraard is dit ook een Belgenmop. Zou Benkiran Hillary Clinton eveneens negeren? Misschien moeten onze vrouwelijke ministers een cameraploeg meenemen wanneer ze met vrouwenhatende politici gaan onderhandelen.

Hier de bron.