
“Luik, zo levendig, zo bruisend en geestig, uitgestrekt naast de brede rivier en omgeven door de stekelige heuvels van de koolmijnen. Gent, somber en ontembaar, met zijn zware belfort, zijn trieste spinnerijen, en met in een kapel zijn Van Eyck. Doornik, met de Chonq clotiers [cinq clochers]. Leuven met zijn kloosters. Brugge, slapend tussen zijn melancholische kanalen waarop witte zwanen glijden, slapend, lijdend en bijna dood, ondanks zijn klokken en zijn beiaard, Brugge waar de Memlings zijn. Antwerpen, met de spitse pijl van zijn kathedraal, die een elan bezit dat zich enkel laat vergelijken met het opspringende hart van wie, na een lange reis overzee, eindelijk ziet hoe hij zich aan de einder verheft: wachttoren van het vaderland, met zijn haven en zijn schepen en het sterke volk dat Constantin Meunier zo krachtig heeft gesymboliseerd in zijn Buildrager. Antwerpen, waar de kleine, wrede Salome van Quinten Metsys mij zo vreemd toelacht in haar geïriseerde roze kleed, en met die naïeve eenvoud dat achteloze gebaar maakt!
Het Vaderland, dat is ook die wonderlijke opeenvolging van landschappen, die van de flanken van de Ardennen tot aan de stranden van Vlaanderen gaat. De wouden van Luxemburg met hun magnifieke oude bomen, de wijde horizonten waar je ’s ochtends de valleien omhuld ziet door het lichte gaas der nevelen, de wegen die op- en neerlopen en zich naar de dorpen toewenden, de zwarte rivieren die over het gebladerte keuvelen terwijl zij de zilveren, ranke forellen meebrengen. De Semois, de Ourthe, de Amblève en hun zijrivieren die nog bekoorlijker zijn. De Maas is het, die hun wateren en schoonheden samenvoegt in die soms grandioze en altijd vriendelijke vallei die van de Zuidgrens naar de Noordgrens loopt.”
Heimwee naar België, verwoord in de eerste oproep tot separatisme, door Jules Destrée in 1912 gepubliceerd.
R. Van Cauwelaert, Ils nous ont pris la Flandre. Waals socialisme en Belgische illusies. Van Jules Destrée tot Elio Di Rupo [Destrées ‘Brief aan de koning’ vertaald door M. Vanfraechem], Kalmthout, 2012, p. 85-86.






