Waarneming

’s Morgens kijk ik door het venster. Dan zie ik bijvoorbeeld een haas voorbijwandelen op de kasseien. Een groot, schonkig beest, gebouwd voor nervositeit en toch rustig. Hij zal zich veilig voelen in de tuin. Of ik zie drie zilverreigers in de wei. Eén keer twee ooievaars, hier nooit eerder opgemerkt. Een boomklever die ondersteboven langs een stam naar beneden trippelt. Ga ik naar buiten, dan hoor ik plotseling tien keer meer vogelgezang dan de afgelopen weken. Zijn de koperwieken neergestreken? En de donzige knoppen van de kleine magnolia, die lijken op kuikens.

Naast het kapelletje ligt dan weer een condoom.

Oefentocht

Vier maanden in het gezelschap van Maurice Gilliams. Laten we hem de Vlaamse Proust noemen, want ja, wonder boven wonder hebben we die, en dat is hij. Vier maanden om te herlezen en te lezen en de mooiste passages samen te bundelen tot een boek. Zodat nieuwe lezers vlot met zijn werk kunnen kennismaken, wanneer de eerste biografie van de schrijver verschijnt, dit voorjaar. Veertig jaar geleden stierf hij in Antwerpen, “dat nest van ondankbaarheid”. Hij liep (even) school in Sint-Victor in Turnhout en het Kempense landschap was hem dierbaar en bruikbaar, als motief in zijn romans. De kalligrafie op het omslag van zijn eerste verhalenbundel is door hemzelf ontworpen. En ik zette het boekje op de Mercedes-typemachine die ik ooit voor mijn vader kocht. Bij de antiquaire Monica in Leuven, die er ook al niet meer is.

Oorlog

[1916] “De 15de augustus was ik op bezoek bij vrienden in Kortrijk en er blijven vernachten. Daar heb ik voor ’t eerst de paniek ondergaan van een beschieting. Midden de nacht opgeschrikt door een geweldig gevecht van vliegtuigen en bommen werpen. Ik had het gevoel van volledige verlamming, uitgestrekt blijven liggen en het noodlot afwachten. Met de overdenking enkel: hoe dom het was hier in Kortrijk mijn dood te komen zoeken als ik zo veilig thuis had kunnen zijn. Het wordt onuitstaanbaar dat het zolang duurt eer de stilte weer invalt en het gevaar voorbij is. Meteen is de schrik ook weer verdwenen.

De natuur laat zich niet beïnvloeden door de oorlog: de zon doet haar werk en de gewassen staan in volle luister.”

Stijn Streuvels, Ingooigem, p. 102.

Dree

Dree Peremans en Lute Vanduffel tijdens Het einde van het museum, 2007 (Foto: C. Garmendia)

Het nieuws over het onverwachte overlijden van Dree Peremans was een klap. Dree, de maker van het fantastische radioprogramma Het einde van de wereld. Dree, met wie we mochten samenwerken tijdens de laatste expo in het Antwerpse Volkskundemuseum in 2007, met wie we het slotprogramma Het einde van het museum mochten maken (zie de foto hierboven). Dree, die de biografie van Wannes Van de Velde schreef. Dree die liedjes schreef, zong, feesten organiseerde en van Patagonië droomde. Dree, die als geen ander creatieve mensen op een ongedwongen, plezierige manier kon samenbrengen. Daar bewonderde ik hem misschien nog het meest voor.

Wit gesloten

En dan heb je een boek voltooid.

En dan gebeurt er weer niets.

En dan ga je naar buiten en denk je: “Maar het is al lente!”

En dan ga je naar boven en vind je, in het handschrift van je beste vriendin op de middelbare school, het eerste gedicht van Maurice Gilliams terug dat je uit het hoofd kende.

Met een datum: februari 1983.

Dank je, M., als je dit ziet!

Houvast

Pandemie, varianten, inflatie, stormen, oorlog. Bommen. Tanks. (En de dierbare overledenen, over wie ik nog niet kon schrijven. En de dierbare levenden, die lijden. Maar die er zijn.)

Uit mijn bibliotheek pak ik het enige boek dat gesigneerd is door Maurice Gilliams, de Franse vertaling van zijn geniale Winter te Antwerpen. De opdracht is geschreven voordat ik geboren werd. Op een verjaardag van de schrijver. ‘Voor de oude, trouwe vrienden’. En dan dat sierlijke schoonschrift. Via zijn moeder geleerd van de ‘calligraphe du Roi’.

Zolang er geen bommen op deze bibliotheek vallen, zolang de regen hier niet binnen gutst tussen brokstukken en papiersnippers, is deze signatuur een van de redenen om kalm te blijven, om te geloven in wat Europeanen bereikt hebben. En doorgeven.

Na de storm

We betraden de tuin na de storm en stelden opgelucht vast dat er maar twee bomen omgewaaid zijn. En ze zijn omgewaaid als heren of dames, in de richting die de minste schade berokkende aan ander gewas. Hoewel mijn vaders lievelings-toverhazelaar nu wel dennentakken te torsen heeft. En de wind steekt alweer op.

Campagne

Cover van het recente nummer van Dietsche Warande & Belfort, gewijd aan Maurice Gilliams

In het afgelegen huis van mijn ouders zat ik over Martial Van Schelle te schrijven: Martial groeide immers op in dat huis. Nu heeft het samenstel der dingen me omgeleid naar iemand anders die van het Antwerpse platteland hield, die er eveneens opgroeide: Maurice Gilliams (1900-1982). Hij beschreef zijn gedroomde landhuis onvergetelijk in Elias of het gevecht met de nachtegalen en Winter te Antwerpen. In mijn verbrokkelende editie van zijn Verzameld Werk vind ik in het fascinerende verhaal Libera nos, Domine (Bevrijd ons, Heer – van de onwaarachtigheid), een vergeten jeugdwerk, deze kleine, scherpe alinea: “Ofschoon ik uiterlijk als verlamd op mijn stoel bleef zitten, verkeerde ik in een toestand van onbeschrijfbare opwinding. In gedachte zag ik me in mijn moeilijke jongelingsjaren bij avond door de campagne van mijn ouders dwalen, half bedwelmd door een onwaarschijnlijk, niet nader te bepalen, uitkomstloos verdriet voortgejaagd. De herfstregen sijpelde door de nevel heen; alles lag in de mist voor het oog verborgen. Er was een diepe vijver. Ik wist niet meer waar de vijver lag. Ik was de prooi van een beangstigende en toch gekoesterde drang naar zelf-vernietiging. Intussen vernam ik de snerpende schreeuw van een vogel die door een kattenklauw werd gegrepen.”

Wat een geluk, het werk van Gilliams op je leeslijst vinden in de middelbare school – een Kempense middelbare school overigens, het Spijker. En hem dan op bepaalde momenten in je leven opnieuw ontmoeten, beter leren kennen, al lezend. Want dit blijft: een dag waarin ik een goede alinea heb gelezen, is een goede dag.

Lichtmis nadert

Eigenlijk had ik vooral de pimpelmezen in het oog, brutaal fladderend en duikend rond het voederhokje. Toen zag ik het opeens. Ze zijn er, en ze zijn talrijk! Op de laatste dag van januari kon ik ze al fotograferen. En waarschijnlijk liep ik ze vorige week nietsvermoedend voorbij, altijd in beslag genomen door de kou, de grijsheid, de takenlijst.

In haar boek Plaisir des Météores, alias Weergenot, uit 1968 vermeldt de Kempense schrijfster Marie Gevers sneeuwklokjes pas in februari, bij Lichtmis. “De regen was warmer dan we dachten, want de aarde ruikt. De geur, opgesloten sinds december, is tegelijkertijd wrang en muf. Gegroet, o sneeuwklokje! Groene sprietjes, wit gestreept, doorboren de donkere humus, en op een plaats waar dode bladeren een sterkere plant beschermd hebben, daar verrijst de stengel, daar wiegt de bloemknop als een delicaat wit ei, neergelegd door deze eerste welwillende regen. Leg het uiteinde van zo’n stengel tussen uw lippen en proef met het puntje van de tong een ondefinieerbare smaak, een beetje zurig, een beetje bitter, een schuchtere smaak, bijna verbaasd.” Ik neem me nu al jaren voor om Gevers’ raad op te volgen, maar kan mezelf er nooit toe brengen om een sneeuwklokje daadwerkelijk te plukken.