Druon Antigoon, naar een ontwerp van Pieter Coecke van Aelst. Antwerpen, MAS, voorheen Volkskundemuseum
Terwijl alle reuzen op lemen voeten dramatisch craqueleren of definitief instorten, lees ik een boek over reuzen door de eeuwen heen. Nimrod, Gog en Magog, Christoffel, Morgante. Weldra zal Druon Antigoon minder geheimen voor me hebben. En ook over Antwerpse reuzinnen is het prettig nadenken, op een regenachtige herfstmiddag.
“Luik, zo levendig, zo bruisend en geestig, uitgestrekt naast de brede rivier en omgeven door de stekelige heuvels van de koolmijnen. Gent, somber en ontembaar, met zijn zware belfort, zijn trieste spinnerijen, en met in een kapel zijn Van Eyck. Doornik, met de Chonq clotiers [cinq clochers]. Leuven met zijn kloosters. Brugge, slapend tussen zijn melancholische kanalen waarop witte zwanen glijden, slapend, lijdend en bijna dood, ondanks zijn klokken en zijn beiaard, Brugge waar de Memlings zijn. Antwerpen, met de spitse pijl van zijn kathedraal, die een elan bezit dat zich enkel laat vergelijken met het opspringende hart van wie, na een lange reis overzee, eindelijk ziet hoe hij zich aan de einder verheft: wachttoren van het vaderland, met zijn haven en zijn schepen en het sterke volk dat Constantin Meunier zo krachtig heeft gesymboliseerd in zijn Buildrager. Antwerpen, waar de kleine, wrede Salome van Quinten Metsys mij zo vreemd toelacht in haar geïriseerde roze kleed, en met die naïeve eenvoud dat achteloze gebaar maakt!
Het Vaderland, dat is ook die wonderlijke opeenvolging van landschappen, die van de flanken van de Ardennen tot aan de stranden van Vlaanderen gaat. De wouden van Luxemburg met hun magnifieke oude bomen, de wijde horizonten waar je ’s ochtends de valleien omhuld ziet door het lichte gaas der nevelen, de wegen die op- en neerlopen en zich naar de dorpen toewenden, de zwarte rivieren die over het gebladerte keuvelen terwijl zij de zilveren, ranke forellen meebrengen. De Semois, de Ourthe, de Amblève en hun zijrivieren die nog bekoorlijker zijn. De Maas is het, die hun wateren en schoonheden samenvoegt in die soms grandioze en altijd vriendelijke vallei die van de Zuidgrens naar de Noordgrens loopt.”
Heimwee naar België, verwoord in de eerste oproep tot separatisme, door Jules Destrée in 1912 gepubliceerd.
R. Van Cauwelaert, Ils nous ont pris la Flandre. Waals socialisme en Belgische illusies. Van Jules Destrée tot Elio Di Rupo [Destrées ‘Brief aan de koning’ vertaald door M. Vanfraechem], Kalmthout, 2012, p. 85-86.
Apollinaire in Café de Flore, 1914 (I.M.L., privé-collectie)
Maintenant tu marches dans Paris tout seul parmi la foule
Des troupeaux d’autobus mugissants près de toi roulent
L’angoisse de l’amour te serre le gosier
Comme si tu ne devais jamais plus être aimé
Si tu vivais dans l’ancien temps tu entrerais dans un monastère
Vous avez honte quand vous vous surprenez à dire une prière
Tu te moques de toi et comme le feu de l’Enfer ton rire pétille
Les étincelles de ton rire dorent le fond de ta vie
C’est un tableau pendu dans un sombre musée
Et quelquefois tu vas le regarder de près
Nu loop je door de Parijse drukte heel alleen
Kudden loeiende stadsbussen rijden langs je heen …
Dankzij Paul Claes’ vertaling ontdek ik eindelijk Zone van Guillaume Apollinaire. Dit honderd jaar oude gedicht is wonderlijk rauw, sentimenteel, origineel. Krijgt een dichter het echt uit zijn pen, dat cliché: L’angoisse de l’amour te serre le gosier? Maar hoe treffend dan plotseling dat beeld: het schilderij in een somber museum. Om nog te zwijgen over de onthutsend charmante combinatie: kubisme/katholicisme. Ah, ergens in Parijs op een bankje een beduimeld pocketexemplaar van Alcools te zitten lezen!
Een vreemde bedenking van recensent Jeroen Overstijns in de letterenbijlage van de krant vandaag. “Kanttekening: Tom Wolfe is met dit boek zijn houdbaarheidsdatum wel erg dicht genaderd. Het is amper nog geloofwaardig dat een 81-jarige een boek schrijft waarin personages een i-Phone gebruiken. Je verdenkt zo iemand er meteen van krampachtig jong te willen doen.”
Kijk eens aan. Dus een auteur van 81 schrijft best alleen over looprekjes, dementie en pampers? Net als een auteur van 71 en 61? Kan dat wel, dat de middelbare Nabokov een tienerpersonage opvoerde in Lolita?
Krampachtige leeftijdsdiscriminatie, wat mij betreft.
Op weg naar antiquariaat Erik Tonen, om afbeeldingen van sneeuwpoppen uit 1772 en aquarellen van Dufy bij bladzijden van Morand te ontdekken, kan men vreemde dingen tegenkomen.
Les affiches qui chantent tout haut. Na een week van gehoest, gekras, aspirine en Vicks liep ik met mistig hoofd naar de bakker, liet de bedroefde blonde weduwe een brood voor me inpakken en zag toen, aan het hekwerk rond een bouwwerf, een woordspeling die me blij maakte.
Allegorisch portret van een kunstenares, ca. 1680, North Carolina Museum of Art, Raleigh
Wat lof verdienen niet sulckdanigh jonghe vrouwen
Die meer van wetenschap en Konst als traegheyt houwen,
Als daeghelijckx lanckx straet wat wandelen te gaen
Oft uren langh in huys voor ’t spieghel-glas te staen,
Als wel op jemants scheef gaen, letsel ofte rampen
te spouwen clapperny en daermed’ stets te schampen
C. de Bie, Het gulden cabinet van de edel vry schilder-const, 1661.