Rubens (en atelier), Portret van een jonge vrouw, ca. 1620-1630, Mauritshuis, Den Haag
Emotie bij Rubens? Zeldzaam in zijn brieven. De schilderijen spreken andere taal. Het zou vergezocht zijn om Rubens op wat voor manier dan ook een feminist te noemen, maar ik houd van de portretten waarin hij vrouwen een blik vol humor en sprankeling meegeeft. En zo staat deze onbekende uit het verleden met stralende ogen, een tikje spottend misschien zelfs, voor ons.
Rommelend in mijn kleerkast ontdek ik een oud geïllustreerd boek. Galerie des femmes célèbres. Een bloemlezing uit de Causeries du Lundi van criticus Sainte-Beuve. Kleine uiteenzettingen over beroemde Franse vrouwen. Van Marguerite de Navarre (schrijfster) tot Madame Récamier, ster van een literair salon dat in 1849 zijn deuren sloot. Als ik het helemaal lees, zal ik Franser zijn dan menige française, veronderstel ik, op ontspannen provinciale wijze. De vertelling over Juliette Récamier leert me alvast hoe literaire salons in de negentiende eeuw werkten, voor vrouwen. Wees een beroemde schoonheid. Sla een schrijver aan de haak, platonisch of niet. In het geval van Juliette Récamier was dat de grote, moeilijke Chateaubriand. Nodig op een vaste avond in de week mensen uit voor sprankelende conversatie met culturele sterren. Ja, men moest kunnen vertellen en entertainen in gezelschap, vroeger, niet zozeer bij een scherm op een klavier zitten tikken.
Zulk een zwaar, solide boek, met zoveel moeite geïllustreerd, en zoveel spinnende volzinnen. Klassiek leesgenot in het verschiet.
Sainte-Beuve, Galerie des femmes célèbres, tirées des Causeries du Lundi. Illustrée de 13 portraits gravés au burin, Parijs, [s.d.] Gevonden bij brocanteur Kris Voeten, Rijkevorsel.
Ik lees in een boek over bepaalde plaatsen die beschouwd werden als de Navel, de Omphalos van een land of een volk – Delphi, maar ook Stonehenge. Vervolgens zie ik hoe voor deze jonge wezens de hele wereld uitwaaiert vanaf hun nestkast. Ze beginnen voorzichtig te verkennen.
N.C. Wyeth, De Groene Ridder, in ‘Boy’s King Arthur’, 1917.
N. C. Wyeth heeft schitterende illustraties ontworpen bij de Arthur-cyclus, zo ontdek ik via het internet, en ik stel vast dat ik afgunstig ben op de jeugdige lezers die in 1917 een exemplaar kregen van Boy’s King Arthur, een bewerking van Sir Thomas Malory’s versie van de Arthurlegende. Men hoort het droge gras bijna knisperen, en de zon schijnt op de pagina.
Een beetje onverwacht, dat ik uitgerekend dankzij Nikolai Tolstoy die kinderlijk intense sensatie herbeleef: helemaal opgaan in een geschiedenisboek. Want ik bekommer me doorgaans niet veel om de Kelten, of de zesde eeuw n.C. in Engeland, of de druïden, of de Welshe literatuur. Maar het is ronduit verrukkelijk om een historicus die standaardwerken heeft geschreven over de naweeën van de Tweede Wereldoorlog te volgen wanneer hij zijn andere passie uitleeft: de figuur van Merlijn/Myrddin in de middeleeuwse letteren en in de Britse mentaliteit. ‘Volgen’ mag de lezer letterlijk nemen: Tolstoy tuft door het Schotse landschap, geleid door de legenden omtrent Merlijn en hij identificeert de plaats waar in 573 de veldslag van Arderydd plaatsvond en de berg met de bron waar de waanzinnig geworden bard/druïde/profeet zich na die slag zou hebben teruggetrokken: Hart Fell. ‘Guaul’ staat voor the Wall, de muur van Hadrianus, Cair Ligualid is Carlisle. De god Lug en de wilde jacht zijn al behandeld, nu naderen de bladzijden waarop de verzen van de barden Taliesin en Aneirin aan bod komen. Die prachtige verzen waarin de spreker voortdurend van gedaante verandert: “Ik had vele vormen voordat ik werd bevrijd: / Ik was een slank betoverd zwaard / Ik was regendruppels in de lucht, ik was licht van een ster / Ik was een woord in letters, een boek in oorsprong / ik was lantarens van licht voor anderhalf jaar / Ik was een brug die zich uitstrekte over zestig mondingen; / ik was een weg, een adelaar, een bootje op zee.” Ik weet niet waarom ik die poëzie zo krachtig vind, maar ze mist haar effect niet.
“In de koningshal heersen warmte en gelach, kameraadschap, poëzie en liederen. Terwijl regenwolken aanstormen van de zee van Rheged en de wind huilt over de besneeuwde hoogten van het Coed Celyddon, neemt Myrddin zijn plaats in aan het einde van het rustbed. Dienaren leggen enorme houtblokken in het vlammende haardvuur, en de geur van gebraden varkensvlees stijgt op uit de ketel. Laat de regen roffelen op het leistenen dak en tegen de stevige muren: de mede is in de hoorn en de harten zijn vrolijk.”
Nikolai Tolstoy, The Quest for Merlin, Boston-Toronto, 1985, p. 42; p. 136-137.
Een reus helpt Merlijn om Stonehenge te bouwen (Egerton 3028 fol. 30 r, British Library)
“Geoffroy van Monmouth schrijft: ‘Toen Merlijn deze en vele andere dingen profeteerde, bewonderden alle aanwezigen hem om de dubbelzinnigheid van zijn woorden.’ Of, zoals een latere Britse versie het koddig verwoordt: ‘hij begon … zo mistig te spreken …’ Die vaagheid maakte van zijn voorspellingen een goudmijn voor mensen die iets wilden weten over de in alle andere opzichten ondoorgrondelijke toekomst. Daar was niets vreemds aan. God had de loop van het menselijk bestaan vooraf bepaald, en het zou best kunnen dat een uitzonderlijk begiftigde ziener de macht kreeg om op voorhand glimpen van het zich ontvouwende patroon op te vangen. Onze eigen tijd is maar een fractie sceptischer, zo lijkt het. Een jaar of wat geleden wekte een heruitgave van de profetieën van Nostradamus een golf van buitengewoon enthousiasme in het verfijnde Frankrijk, en op een ander niveau is het historisch determinisme van Karl Marx wellicht een meer intellectuele poging om ditzelfde mysterie te doorgronden.”
Nikolai Tolstoy, The Quest for Merlin, Boston-Toronto, 1985, p. 7.
Bekijkt men tijdens het weekeinde een film met Errol Flynn, dan levert dit nostalgisch amusement op, want Errol blijft very dashing indeed en kan als weinig anderen overweg met floret, cape, bepluimde hoed en laarzen tot over de knie. Wat ik echter niet verwachtte, was dat ik in een film met Flynn een wonderlijke Britse actrice zou ontdekken, die met haar charme en humor iedereen van de scène speelt. In The Sea Hawk vertolkt Flora Robson met heerlijke flair de rol van koningin Elizabeth I. Uiteindelijk hield zij me aan het scherm gekluisterd, veel meer dan de luimige piraten en de clichés over geschiedenis dat deden. Mooi, om naast al die zeemzoete leading ladies en love interests voor Errol een brok puur talent in actie te zien. Achter de schermen werkten ook briljante kostuumontwerpers – ziet u in de bovenste foto de grote parel die ter hoogte van de elleboog aan de mouw van de vorstin bungelt? Vermoedelijk hét visuele detail dat me van deze uren zal bijblijven.
De decorbouwers sloegen er echter gewoon een slag naar, of misschien was het geld op toen hun departement aan de beurt kwam. Geen enkel paleis uit die tijd had kale witte muren. Alleen kloosters hadden dat, als teken van armoede. Maar kloosters waren nu net afgeschaft in Engeland.
Goed. Iets nuttigs. Iets waar u, dierbare lezer, wat aan heeft. Een recept voor een gezonde drank. Als u hem vandaag bereidt, is hij klaar tegen de herfst.
Uit dat prima kookboek van Toulouse-Lautrec. Treft u het aan in een tweedehandsboekhandel, koop het gerust. Stevige kost voor durvers.
Porto à l’ail, Porto met knoflook. Uitstekend tegen chronische bronchitis, verkoudheden, u weet wel.
Koop een fles goede tot zeer goede porto. Schenk uzelf en iemand anders een glaasje uit, om plaats te maken in de fles.
Hak ongeveer 500 gram knoflooktenen in stukken en laat ze door de flessenhals glijden. Klaar. Opnieuw afsluiten en twintig dagen laten trekken.
Begin met een half likeurglas ’s avonds (net voor uw soep, aldus het kookboek) en bouw geleidelijk op tot een of twee likeurglazen per avond. Een volstaat wel, wat mij betreft. Uitgeprobeerd en goed bevonden.
Porto à l’ail, in J.-B. Naudin, G. Diego-Dortignac, A. Daguin, Toulouse-Lautrec’s Table, New York, 1993, p. 181.
Ik heb een bijzondere band met Cultureel Centrum De Warande. Deze Turnhoutse instelling is namelijk twee keer opgetreden als mijn uitgever: de eerste keer in 2002, toen zij een boekje bij me bestelde over onverwachte schrijvers in haar stad, de tweede keer dit jaar, toen zij een bibliofiel werkje liet uitgeven met tekeningen van Anne-Mie Van Kerckhoven en verhalen van mij, als onderdeel van het kunstenparcours Tweespoor.
Dat een cultureel centrum zich op een originele manier met literatuur inlaat en niet enkel de schaarse literaire theaterprogramma’s boekt, juich ik volmondig toe. Dit voorbeeld biedt mogelijkheden en verdient navolging. Wat me echter bij elke gelegenheid heeft verbaasd, is de nazorg voor die literaire productie. In 2003 vernam ik dat de verkoop van het eerste boek –Turnhout. Onverwachte schrijvers in een kleine stad – niet bijster vlot liep. Geen wonder, want het boek was nergens in de inkomhal van het cultureel centrum te zien, stond daar nergens vermeld op een affiche of wat dan ook (dit in tegenstelling tot menige allang vergeten theatervoorstelling). Hoe konden bezoekers dan weten dat De Warande een interessant literair-heemkundig boek had besteld bij een auteur en het nu aanbood? Zelfs in de uitstekende uitleenbibliotheek van het cultureel centrum werd nergens promotie gemaakt voor deze eigen publicatie. Ik vernam ten slotte dat er een stapel dozen met onverkochte exemplaren in de kelder was weggezet. En daarna kreeg ik telefoons van mensen die me vroegen of zij bij mij een exemplaar van dit boek konden kopen: ze hadden naar De Warande gebeld en daar was hun verteld dat De Warande het niet meer kon leveren. Kafkaiaans, en bovendien niet getuigend van een gezonde hang naar return on investment.
Gisteren vernam ik weer zoiets: onafhankelijke boekhandel ’t Verschil in Antwerpen had geprobeerd om bij De Warande een exemplaar van het mooi vormgegeven Sacra Conversazione | Heiligen en begijnen te bestellen. De e-mail bleef gewoon onbeantwoord. Wat een verspilling, denk ik dan. Mits goede promotie en opvolging zou De Warande iets aan dit eigen initiatief kunnen verdienen, in elk geval de kostprijs dempen. Of denkt men daar niet aan, wanneer men vastbenoemd ambtenaar is en zorgeloos aan welige subsidiestromen leeft?
(Update: een van de organisatrices van kunstenparcours Tweespoor heeft de voorliggende kwestie ter harte genomen. Dank, Sarah R.!)