
‘Judas had de beste rol,’ zei A.S. Byatt onlangs in een interview, en daar zit wat in. Borges schreef een verhaal waarin Judas wel een heel bijzondere interpretatie meekrijgt. Maar dan heb je nog Petrus die zijn zwaard trekt, en de haan die driemaal kraait, en Petrus die “bitter weent”. Ook heel navrant. En enkele dagen na dat alles volgt dan mijn absoluut favoriete bijbelscène, die tussen Maria Magdalena en de hovenier.
Nu het Laatste Avondmaal in Milaan een kapotgerestaureerde ruïne is, loont het om de waardevolle kopie in de abdij van Tongerlo als illustratie te gebruiken. Rubens kwam het doek, mogelijk geschilderd door Leonardo’s assistent Solario, ter plaatse bekijken.
Waar haal je een Judas? Leo Perutz toonde in zijn roman van 1959 de kwikzilveren meester aan het werk. De hertog van Milaan vraagt Leonardo waarom hij niet voortschildert aan zijn fresco.
‘Omdat ik het allerbelangrijkste nog niet heb en nog niet zie, namelijk de kop van Judas,’ antwoordde meester Leonardo. ‘Begrijpt u mij goed, heren: ik zoek niet een willekeurige spitsboef of een ander soort misdadiger, nee, de allerslechtste man in heel Milaan wil ik vinden, naar hem ben ik op zoek, zodat ik die Judas zijn gelaatstrekken kan geven. Waar ik maar ben, speur ik naar hem, dag en nacht, op straat, in kroegen, op markten en ook aan uw hof, weledele heer, en pas als ik hem heb, kan ik het werk voortzetten – tenzij ik de Judas met zijn rug naar de kijker toe laat staan, maar dat zou me te schande maken. Geef mij mijn Judas, weledele heer, en u zult zien met hoeveel ijver ik me op het werk stort.’
Wie zoekt, die vindt.
L. Perutz, De Judas van Leonardo, vertaald door N. Van Maaren, Amsterdam, 1993, p. 17.










