Nottebohmlezing

foto_ehc_nottebohmzaal_jpgDare I say it, ik heb de prestigieuze Nottebohmzaal van erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience nog nooit betreden. Maar zondag om 11 uur mag ik er een lezing geven over stripheldinnen. Madame Pheip, Susan, Wiske en Sidonia dartelen om me heen, en misschien komen ook een Atheense vazenschilder, de heiligen Harlindis en Renildis en een middeleeuwse Michelangelo aan bod.

Verdwenen

Hoe het verdwijnt. Frieda Van Wijck interviewde me over H. R. Addison, voor de documentaire over Pascal Verbekens Grand Central Belge. Addison was een Brits officier die in 1839 een reisgids over België publiceerde, fraai getiteld Belgium As She Is. In zijn beschrijving van Antwerpen stuitte ik opnieuw op zijn vermelding van een mysterieus luxeproduct. “Mr. Bailey, whose shawl warehouse is celebrated throughout Europe, is the proprietor of the famous Antwerp black silk, which if you have never seen I strongly recommend you to inspect, as it is certainly the most curious, and at the same time the most costly material in Europe. Nothing can affect its colour. It is sold by weight. The Proprietorship of it, is, I believe hereditary, and came to Mr. Bailey in right of his wife.”

Door de verkoop van zijn zwarte zijde werd Mr. Bailey zo rijk dat hij zich twee Correggio’s kon aanschaffen, meldt Addison nog. Wat was die zwarte zijde? Moet het Modemuseum dit niet eens onderzoeken? Waar zijn die Correggio’s? O, de tijd is een tornado.

Moederdag in Antwerpen

Mijn mooiste en slimste jongen heeft me maar een paar jaar overleefd. Filips met zijn glimlach, zijn krullen, zijn heldere ogen. Niet hij, maar mijn jongste zoon vervulde de stad met onze naam. Dat heeft me verrast. Het was mijn bedoeling een ambtenaar van hem te maken, iemand die nuttig is aan een hof; hij had er ook het verstand voor, maar hij tekende elk stukje papier dat hij vinden kon vol en smeekte me om prenten te kopen, die hij dan vlijtig natekende. Jij kent hem ook, al sinds je klein bent. Het licht dat hij alleen kon laten stralen heb je gezien op schooluitstapjes, in de kathedraal, in wat er overbleef van zijn huis. Overal een beetje, zelfs in de Nieuwe Wereld. Schilderijen als weelderig opgetaste fruitschalen, zoet spektakel. Blonde vrouwen die glanzen als honing. Kostbare stoffen op tere huid. Italiaans licht in ons noorden. Hij schilderde het licht in veel belovende donkere vrouwenogen en het licht in het schuim en de nevel van een onstuimige waterval in de bergen, dat uiteenviel in een regenboog. Toen hij opgroeide, zag hij zijn vader moedeloos in huis rondhangen; en het leek alsof hij al diens verspilde werkkracht met zich meedroeg en omzette in duizend schilderijen. Van simpel pigment en linnen en olie maakte hij rijkdommen zoals mijn familie nooit had kunnen vergaren, al hadden we dertig generaties lang gehandeld in de beste tapijten. Ken je zijn schilderij in de kathedraal boven het hoogaltaar? O, het toont met hoeveel hemelse vreugde men de lasten van dit leven kan transformeren, ontstijgen, achter zich laten. Daar ga ik soms naar kijken. Ik herken die blijdschap.
(Uit een ongepubliceerd verhaal over Rubens’ moeder.)

Zomerbloemen

AVe-jurken!
AVe-jurken!

De pijnlijke gevolgen van de economische crisis grijpen om zich heen. Een ervan is dat mijn favoriete ontwerpster besloten heeft haar zaak te sluiten. Annick Vandecappelle ontwierp en naaide zelf jurken, tops, rokken en jassen, die ze te koop aanbood in haar winkel aan de Lombardenstraat in Antwerpen. Belgisch ontwerp, Belgische productie, Belgische exclusiviteit, en dat aan zeer redelijke prijzen. Haar eigen collectie vulde mevrouw Vandecappelle aan met uitstekend gekozen kledingstukken van kleinere Franse en Italiaanse merken, en met elk seizoen een keur aan prachtige, originele accessoires. Op dit ogenblik houdt zij uitverkoop, nog tot 3 augustus. Ik koester de jurken die ik bij haar kocht, de uitnodigingen die ik elk seizoen ontving, ja zelfs de mooie zwarte dozen en draagtassen waarin ze haar waren verpakte. We deelden een liefde voor stoffen met een verhaal, in de zomer voor bloemmotieven. Misschien had ik haar moeten vragen om een zomerjurk voor me te ontwerpen in roze toile de Jouy, die kans heb ik laten liggen. Ik zal haar winkel, haar smaak en haar creativiteit missen.

AVe, Lombardenstraat 18, Antwerpen

Moeder

Rubens, kinderportret, Albertina, Wenen
Rubens, kinderportret, Albertina, Wenen

29 Juni: de dag waarop Pieter Paul Rubens, net geboren, zijn voornamen ontving, naar de apostelen die vandaag de kalender sieren. Hieronder leest u het begin van een verhaal dat ik schreef over Rubens’ moeder, de onversaagde Maria Pypelinckx.

Stof was ik, en tot stof ben ik weergekeerd. Meer bepaald, beste voetganger, het stof onder de stoeptegel waarop jij dadelijk je rechtervoet zal plaatsen. Van op de nok van heer Ortelius’ dak kijk ik op je neer. Op jou, en op het geglinster van de Schelde. Ik miste de Schelde, in Keulen. Ook al zag ik daar de Rijn. Later stagneerde ons leven helemaal, bij een zijriviertje. De Sieg. Water van de nederlaag.

Alles was goed geregeld, bij mijn begrafenis. We waren ons fortuin kwijt gespeeld – het fortuin van mijn ouders, moet ik zeggen – , we hadden ons verbrand in de burgeroorlog, hele decennia uit ons leven moest ik na onze terugkeer voor mijn medeburgers verdonkeremanen: maar ik werd begraven in de oudste en rijkste abdij van mijn vaderstad, onder stenen met een dankbaar opschrift, en mijn jongste zoon liet een schilderij uit Italië boven mijn graf hangen. Er viel zelden zonlicht door de glas-in-loodvensters op de plaats waar de wormen aan mijn restmateriaal knaagden, maar het schilderij straalde van zijn eigen zuiders licht. Warm goud, fluwelig blauw. Kleuren zoals ik ze ook zag op de tapijten die mijn vader verhandelde. Hij liet tapijten weven bij onze eigen wevers, met gouddraad erin dat glansde bij kaarslicht en flakkerend haardvuur. Op de tapijten stonden heidense goden in sandalen en helden, ook dansende boeren en jagende koningen en heilige pausen. Ze hingen aan de muur als schilderijen. Op de tapijten uit Perzië stonden alleen motieven, lijnen, labyrinten en festoenen. Bloeiende tuinen die je in kille kamers kon uitrollen. Als kind liep ik er zo vaak mogelijk overheen, alleen om de heerlijk zachte, dikke wol onder mijn pantoffeltjes te voelen. Dat mocht eigenlijk niet.

Wisselwerking

Elsnouwen

Heel vreemd: ik wilde de verf aanraken. Dat overkomt me niet vaak bij schilderijen. Maar in Ruimte Morguen zag ik de verf in korsten en pieken, in splinters en scherven boven op de virtuoze voorstellingen liggen. Eerst een technisch volmaakt schilderij schilderen, met taferelen die sinister, onschuldig of zwaar beladen zijn – dat is niet meteen duidelijk; dan enkele stappen afstand nemen, het resultaat bestuderen; vervolgens het penseel opnieuw in de verf dopen en een ongebreideld antwoord geven op al die virtuositeit. Het levert een bijzondere ervaring op, alsof je in chaos een verontrustend beeld ziet ontstaan en vergaan, alsof je in dezelfde kamer naar klassieke en experimentele muziek luistert, die elkaar toch wonderlijk voortstuwen.
De concentratie die deze schilderijen van me eisten, deed me goed. We worden dag in dag uit overvoerd met voorbijflitsende beelden, dan is het verhelderend om een half uur naar vier schilderijen aan een wand te kijken en hun kracht op het oog te laten inwerken. En ik beleefde het genoegen de kunstenares zelf over haar werk te horen spreken, nu eens terloops, dan weer met filosofische precisie. Vorige week de prenten van Hiëronymus Cock, aan wie ik geen vragen meer kan stellen, deze week Interference van Els Nouwen: veel om over na te denken.

Interference, in Ruimte Morguen, Waalse kaai 22, Antwerpen, tot 8 juni.

Zwart en wit

J. Wierix, Portret van Volxcken Dierix, prentenhandelaarster, 1579, Koninklijke Bibliotheek van België, Prentenkabinet. (detail)
J. Wierix, Portret van Volxcken Dierix, prentenhandelaarster, 1579, Koninklijke Bibliotheek van België, Prentenkabinet. (detail)

Van alle kunstvormen is grafiek het gemakkelijkst weer te geven in foto’s. Dat klinkt aannemelijk, nietwaar?
Onlangs ontdekte ik op de tentoonstelling over prentenhandelaar Hiëronymus Cock in Leuven dat de zaken anders in elkaar zitten. Jazeker, grafiek bestaat uit zwart en wit en lijnen; en nee, foto’s doen daar geen recht aan. De prenten aan de muur sloegen me met verstomming door hun kwaliteit, hun vernuft, hun levendigheid. Hun wetenschappelijkheid, ook, want de wereld werd ontdekt en getoond, van het reliëf op laatantieke bekers in heerlijk detail tot de ritmische en doeltreffende structuur van de Thermen van Diocletianus in Rome. En een prent niet groter dan een herenzakdoek toonde me de goden van de Olympus, schijnbaar recht boven mijn hoofd op duizelingwekkende hoogte.
Mocht er in 1558 een vrouw in Antwerpen hebben geleefd wier karakter in grote lijnen overeenkomt met het mijne, dan stel ik me voor hoe ze haast elke week haar mantel omsloeg en naar prentenhandel In de Vier Winden wandelde om te kijken of er nieuwe prenten waren aangekomen, mooie prenten uit het elegante Italië of grappige en navrante prenten van die Pieter Bruegel. En om er een praatje te slaan met Volcxken Dierix, net als haar man Hiëronymus een kenner en gewiekste zaakvoerder.