Galerij

Het Museum voor Letteren en Manuscripten, in de panden van Van Schelle Sports, Koningsgalerij, Brussel

Vijftien maart. Exact negenenvijftig jaar geleden werd Martial Van Schelle als gijzelaar in Breendonk door de nazi’s neergekogeld. Een maandagochtend. De executiepalen staan er nog steeds.

Ik bracht die dag door op een plaats die Van Schelle dierbaar was, de Koningsgalerij in Brussel. Hier was vele tientallen jaren lang zijn zaak Van Schelle Sports gevestigd; de lokalen van zijn winkel zijn sinds kort ingenomen door het aantrekkelijke Museum van Letteren en Manuscripten. Voor het eerst bezocht ik ook de coulissen van dit negentiende-eeuwse theaterdecor. In een Empirezaaltje op de bovenverdieping van de galerij, omgeven door vorstelijke en burgerlijke portretten, bladerde ik door een oud album met foto’s van Van Schelle als zwemmer en ballonvaarder, met fragiele oude artikels uit La Libre Belgique over zijn prestaties als kampioen op de 100 en 200 meter, en als coach.

Dankzij Van Schelle voelde ik me wonderlijk thuis in Brussel.

(Zie ook dit)

Maetschappy

J. de Saint-Génois

Ach, die goede Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen, hoeveel schatten uit het verleden heeft zij opgedolven.
Luisteren we even naar baron Jules de Saint-Génois, die in de Koninklijke Bibliotheek het dagboek terugvond van Brussels burger Jan de Pottre, bijgehouden tussen 1549 en 1620.
Soortgelyke dagboeken die van vader tot zoon, als een deel van het voorvaderlyke erfgoed, overgingen en met eerbied door den oudsten vertegenwoordiger van den stam werden bewaerd, vervatte de belangrykste voorvallen van het alledaegsch leven; daerin werden aengetekend de huwelyken, de geboorten, de sterfgevallen, die de grondstof uitmaekten van dusdanige memorandums. Verder stipte men daerby nog met zorg aen, wanneer meester Jan, geestelyke geworden zynde, zyn eerste mis las; wanneer jonker Pieter naer het leger was vertrokken, of mynheer Pauwel den koophandel aenvaerd had, ontrent welken tyd Anneken in het klooster der Ryke-Klaren of Mariken in de Grauwe Zusters was geprofest; in welke school de kinders het latyn of het fransch waren gaen leeren; men beschreef er het doopsgeschenk aen Trienken door haer peter gegeven; men maekte gewag van het opbouwen of afbreken van het eene of andere deel van de voorvaderlyke woonst, van de ziekten die de kleinen hadden onderstaen, van de reizen door de leden der familje by den vreemden ondernomen voor koophandel of andere aengelegenheden; met éen woord al de wisselvalligheden die een eenvoudig, welstellend en vreedzaem huisgezin overkomen, kwamen daerin voor, kortbondig afgeschetst en zonder aenspraek op letterkundige sierlykheid of verhevene styl. […]

Voor onze verlichte, doch dikwyls verwaende eeuw, waer de middels van bekendmaking door de drukpers zoo vermenigvuldigd zyn en alles door de dagbladen in het openbaer wordt gebragt, schynt die al te drooge opsomming van dagelyksche daedzaken wat beuzelachtig en kleingeestig. Trouwens heden is men wereldburger eer men tot de jaren van verstand is gekomen, en by vele vezelt het huislyk leven zoo wat uit een.

J. de Saint-Génois, Dagboek van Jan de Pottre, (Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen, 3de serie nr. 5), Gent, 1861, p. II-III.

George en Coralie

Het is een vorm van geluk om aan een nieuwe roman van George Eliot te beginnen; en toch moet ik na vijftig bladzijden al een soort schroom overwinnen, want het is hard labeur, haarscherp te observeren hoe een veelbelovend jong meisje met even onschuldige als dodelijke precisie de meest verkeerde man uitkiest om mee te trouwen. En nog iedere week, daar twijfel ik geen seconde aan, kiezen veelbelovende jonge meisjes de verkeerde persoon in hun leven, en veelbelovende jongemannen doen hetzelfde. Wel, het pleit voor George Eliot dat ze me na de eerste alinea al van haar hoofdpersoon heeft leren houden, zodat ik bezorgd afwacht wat er met Dorothea zal gebeuren, nu dat ellendige huwelijk aanstaande is.

Gelukkig verlicht de schrijfster mijn onrust met een komisch personage dat fungeert als Grieks koor – Mrs. Cadwallader, die bij haar entree al memorable uitspraken doet als: “Altijd een paar korrels gezond verstand in een ons gierigheid. Gierigheid is een uitmuntende eigenschap voor families – het is de veilige kant voor krankzinnigheid om op te landen.” Deze vrouw is een sociologisch genie, denk ik dan. “Die milde types kunnen geen azijn van wijn onderscheiden tot ze die doorgeslikt hebben en kolieken krijgen.” Inderdaad.

Het moet gezegd, Penguin heeft zijn Classics in prachtige nieuwe kostuums de wereld ingezonden. De volmaakte omslag van mijn Middlemarch is te danken aan Coralie Bickford-Smith, en deze foto van haar tussen haar ontwerpen vind ik betoverend.

(Mijn driehonderdste bericht; ik vier het met een glas goede wijn en bladzijden George Eliot)

Achterklap

Kijk eens aan. In de rubriek ‘Achterklap’ van de Standaard der Letteren – gewijd aan ‘nieuwtjes, roddels en opmerkelijke uitspraken uit de letterenwereld’ – tref ik, ruim twee weken te laat, een melding aan van Guy Vaes’ overlijden. Leve Herman, Viva Lolita, Hoera Selma en Adieu Guy melden de kopjes boven de mededelingen in deze strook bladvulling. Schenk je je landgenoten een stel prachtige, subtiele boeken, krijg je dit op je dak: een ongeïnteresseerde, lompe vermelding van je dood, gebracht in een context van belegen ironie die beter past op bonte avonden van de jeugdvereniging.

Ereperk

De komende erfgoeddag is gewijd aan helden. Mijn persoonlijke held is Martial Van Schelle (1899-1943), een Belgische atleet uit het interbellum met wortels in Merksplas, Brussel en Chicago. Ik leerde hem kennen dankzij een biografietje dat mijn grootvader (ooit Van Schelles buurjongen in de Noorderkempen) van hem schreef en schreef ook zelf over hem, in Mijn België en Almanak. Van Schelle groeide op in Merksplas, vocht in de Eerste Wereldoorlog als piepjonge soldaat in het Amerikaanse leger, werd dan verschillende malen Belgisch zwemkampioen, Olympisch atleet, wintersportpionier, ballonvaarder en zakenman. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij in het verzet, werd hij verraden en stierf hij in het concentratiekamp Breendonk.

Gisteren bezocht ik zijn graf, op het ereperk van de gefusilleerden, achter de RTBF-gebouwen in Brussel.

De volgende keer zal ik bloemen meenemen. Heel treffend waren ook de naamloze graven – onbekende slachtoffers van het nazischrikbewind.

Op de erfgoeddag zal ik belangstellenden over Van Schelle vertellen bij zijn geboortehuis, de Diepte, in Merksplas.

Meer over Van Schelle op deze blog vindt u hier, en hier. Elders is er dit.

MEW

Weg met de tirannie van Wikipedia, dacht ik, weg ermee! Weg met de idee dat Pieter Bruegel op het flikkerende beeldscherm zes regels krijgt en Britney Spears zesduizend, genoeg met die onzin. Ik nestel me op de sofa en open de encyclopedie – de enige die ik nog binnen handbereik heb, want de drie encyclopedieën die mijn jeugdjaren sierden (waarvan er een vierdelige speciaal voor jonge lezers was geschreven en geïllustreerd) bevinden zich elders.
En het doet goed, op dat onmiskenbare glanspapier iets rustigs over Mary Ann Evans te vernemen. Voortbladerend ontdek ik een zeventiende-eeuws Grieks meesterwerk, de ridderroman Erotokritos (‘Door de liefde beproefd’) en terugbladerend kom ik ook nog Chesterton, Chénier en Chaucer tegen. En ik denk terug aan die volkomen verdwenen figuur uit het dagelijks leven: de encyclopedieverkoper.

Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur, deel II, C-E, gezet in Gent en gebonden in ’s Gravenhage, 1964. (Met dank aan Ben Hoffschulte en antiquariaat Procopius)

Zondags

De bruiloftsgod vertrekt van hier in zijn saffranen
Gewaad, door d’ope lucht naar ’t rijk der Tracianen …

Aldus Vondel naar Ovidius. In de krokus vang ik een glimp op van hoe zo’n saffranen bruiloftsgewaad er uit zou kunnen zien.

Herscheppinge

Orpheus op aardewerk
Orpheus op aardewerk

Ik hoorde honden bassen. Ja, wanneer ik in de Kempen rondwandel, hoor ik bassen, elders hoor ik blaffen. Ik dacht even na over dit oude woord, dat, zoals ‘muzzen’, ‘stoefen’ en ‘stoeberen’ (maar ook ‘reclameren’ en ‘rouspeteren’), hoort bij mijn kinderjaren. Waar komt dat vandaan, ‘bassen’?

De afgelopen week was ik plotseling het verzameld werk van Vondel kwijt. Zoiets kan gebeuren. Een boekdeel met waterschade. Niet meer op de vaste plaats in de kast. Overgebracht naar het ouderlijk huis? Nadat ik de honden heb horen bassen, vind ik het boek inderdaad terug, en ik besluit eens na te lezen wat Vondel daarvan maakte, van Ovidius’ ontroerende verhaal over Orpheus en Eurydice. Want Vondel, zo vernam ik onlangs met voorpret, heeft de Metamorfosen vertaald tot de Herscheppinge. En die vertaling lezen, dat wordt wellicht herbronnen in moedertaal, pootjebaden in virtuositeit.

Ik koom niet neergedaald in dees duisternis / Het onderaardse rijk bespieden, en verrassen, / En uwe hellewacht den hond verbiên te bassen, / Met zijn drie hoofden, ruig van slangen, uit Meduis / Gesproten …

Vondel zou mijn Kempens dialect begrijpen, dat is toch wel een heerlijke gedachte.

Zijn mooist vertaalde regel? ‘Ontweef d’ ontijdigheid des doods van Euridies’ – trouw aan het origineel en prachtig pittig Nederlands.

Jeanne in première

Jeanne, door Ensemble Polyfoon

Mooi verlichte koorruimte. De brede kerkstoelen die ik me herinner uit mijn kindertijd. Neogotiek van de provinciale architect, die eerzame en economisch interessante ambtenaar. De kerk was zo behaaglijk warm dat ik mijn jas kon uittrekken. Moeilijk om nervositeit te overwinnen, bij de gedachte dat ik zo meteen, voor het eerst, woorden die ik in stilte geschreven heb zal horen zingen door deze mensen.

Oude en nieuwe muziek, oude en nieuwe tekst, zang en vertelling. Op een donderdagavond in een goed gevulde parochiekerk. Een heerlijke combinatie.

www.polyfoon.be

In memoriam Kamiel Vanhole

Enkele weken geleden werd Kamiel Vanhole in Leuven herdacht. De elektronische uitnodiging maakte herinneringen wakker aan deze beminnelijke schrijver en stadsgenoot, veel te vroeg verdwenen. Niet lang na zijn dood las ik zijn boek Overstekend wild en verbaasde ik me over de manier waarop het wezen van een schrijver bewaard kan worden op de bladzijden die hij schreef. ‘Dat is echt Kamiel,’ dacht ik na elke alinea, ‘het is alsof hij hier bij me in de kamer zit.’ Le style, c’est le fond qui monte vers la surface?

Het doet goed om te weten dat zijn prachtige toneelstuk De nacht van Margaretha nog steeds wordt opgevoerd.

Dit lijkt een week te worden van herinneringen. Daarom hieronder het stukje dat ik in de zomer van 2008 blogde voor Knack, na Kamiels overlijden.

Bij afwezigheid

Er is een draad losgetrokken uit het tapijt, kan dat zoveel verschil maken? Ik vermijd al een aantal weken het boekencafé waar we vorige zomer op het terras zaten en praatten over Proust en Perzië, de romans die anderen geschreven hebben en de boeken die we zelf wilden schrijven. In die goede oude Gambrinus zullen we niet meer samen een koffie drinken, al was dat in april nog moedig afgesproken. Tijdens dat laatste gesprek, bij de voorstelling van De Spoorzoeker in Brussel, hadden we het nog even over een onvergetelijke plaats, de Piazza Santo Spirito. De ene herinnering brengt de andere mee. De première van zijn monoloog De Nacht van Margaretha in Mechelen, een heel mooie tekst. Zijn vriendelijkheid, hartelijkheid. Zijn oranjebruine trui. De beschrijving in Bea van de plaats waar de Zenne onder de grond verdwijnt en hoe dat klinkt alsof er een reusachtig bruistablet in het water wordt geworpen, hoe geslaagd ik die vergelijking vond en dat ik hem dat zei. Het allang verdwenen eethuisje De Rijsttafel in de Tiensestraat, waar ik op een avond alleen at en hij met zijn gezin een verjaardag vierde. De onschuld van alle personages in zijn boeken. De prachtige evocatie van Brussel in De Spoorzoeker. Zijn favoriete voorwerp uit het Antwerpse Volkskundemuseum. Dat ik hem eigenlijk had willen vragen een paar hoofdstukken te lezen waaraan ik werk en me zijn mening te geven. Hoe hij vertelde over zijn vaderlijke trots, dat hij zijn gezin gemist had tijdens een verblijf met een reisbeurs in Montréal. Leuven is anders zonder Kamiel Vanhole.