Mallarmé op de Schelde

Stéphane Mallarmé thuis (Foto Paul Marsan)

“Eenige jaren vroeger (1889) was Mallarmé op bezoek gekomen. Hij werd met nog meer liefde dan Verlaine ontvangen, want Mallarmé was voor Elskamp de groote dichter. Hij gaf, eveneens in den ‘Kunstkring’, een lezing over Villiers de l’Isle Adam. ‘Un homme aux rêves habitué vient ici parler d’un autre qui est mort,’ zoo begon hij.

Bij het gewone publiek van den ‘Kunstkring’, ‘qui prend les conférences comme des purges – avec répugnance‘, zooals Henry Van de Velde zich eens uitdrukte, was het een herrie van belang. Elskamp beleefde heerlijke dagen bij het bezoek van Stéphane Mallarmé, uren van innig zielsverkeer met een der gecompliceerdste geesten en een der mooiste causeurs van zijn tijd. En de schoonste herinnering die hij van dezen behield was de vaartocht op de Schelde. Mallarmé was een even goed roeier als Elskamp, die al zijn Zondagen op de Schelde doorbracht in gezelschap van Hannes, den visscher aan wie hij Le Jeu du Loto heeft gewijd. ’t Was in ’t vallen van den avond, de zon lag op den stroom en aan de monding van de Rupel onderbrak Mallarmé plots zijn causerie en zei: ‘Allons, Max, ramons plutôt vers le soleil, vers le rêve, toujours vers le rêve!‘ Daarna praatte hij weer voort, met vreugdevolle woorden, begeesterd en begeesterend.”

Mallarmé schreef nadien in het gulden boek van de Kunstkring:

Il me faudrait écrire en vers
Ma visite au Cercle d’Anvers.

Victor de Meyere, In memoriam Max Elskamp, Antwerpen-Volkskunde, 1943, p. 9.

Verlaine in Antwerpen

Paul Verlaine in Café François I (foto Paul Marsan)

1892. De dichter Paul Verlaine komt een lezing geven in Antwerpen.
“’s Anderendaags, toen Elskamp Verlaine in de stad rondleidde, had het kleine, dikwijls aangehaalde incident aan de Hoofdkerk plaats. De suisse wilde geen bezoekers binnenlaten langs de kant der Groenplaats, ik weet niet meer om welke reden. Elskamp parlementeerde met den man en sprak van den grooten katholieken dichter die naar Antwerpen gekomen was om de Rubensen van de hoofdkerk te bewonderen. Verlaine werd plotseling woedend. Hij pakte den suisse bij den kraag en zei: ‘Mais enfin, n.d. D.! la Sainte-Vierge est ma meilleure amie!
En wanneer hij, dienzelfden morgen, de gebruikelijke Antwerpsche doodenwagens had gezien, met de gouden engelen er op, kon hij er niet meer over zwijgen. Hij drukte zelfs den wensch uit eens te Antwerpen begraven te worden, ter wille van die schoone doodenkoetsen, ‘avec des anges d’or’.”

In het gulden boek van de Antwerpse Kunstkring schreef Verlaine: “Vive Anvers envers et contre tous.

Victor de Meyere, In memoriam Max Elskamp, Antwerpen-Volkskunde, 1938, p. 8-9.

Antwerpse verjaardag

Houtsnede van Max Elskamp

Honderdvijftig jaar geleden werd Max Elskamp geboren in de Sint-Paulusstraat in Antwerpen, bij hoogtij. Aan deze straat zou hij later een van zijn mooiste dichtbundels wijden, La Chanson de la Rue Saint-Paul (1922).

De zeer teruggetrokken levende Elskamp liet ons een kleine autobiografie na.

“Geboren te Antwerpen uit Vlaamse vader en Franse moeder op 5 mei 1862 (vaderskant hoogstwaarschijnlijk van Scandinavische oorsprong). Invloed van het milieu. De Sint-Paulusstraat (te Antwerpen) waar ik geboren ben, straat vol consulaten, maritiem, uitlopend op de Schelde. Ons huis maakte om zo te zeggen deel uit van de Sint-Pauluskerk en mijn kindertijd verliep onder de klokken, temidden van raven en vlakbij een gruwelijke calvarie in zandsteen en loodas, meesterwerk van een koster in delirium, waar men achter tralies Christus in zijn graf zag en in grote en vreselijke rode vlammen de zielen van het Vagevuur die eindeloos branden. In augustus kwamen bij ons de walvissen voorbij, de reuzen van de Vlaamse Ommegancks (stoeten); en de winters, zo dicht bij de stroom, de winternachten vooral waren werkelijk afschuwelijk, overvol van de geluiden  van de wind, het ijs en het getij. Bij mijn grootouders (vaderskant) heerste Handelswaar: thee, suiker, goudpoeder, palmolie, koffie en krenten werden aangevoerd door een brick genaamd De Ortelius en een vierkante driemaster die De Louis was gedoopt. Ik geloof dat wat ik gedaan heb, zeer beïnvloed is door die dingen uit mijn vroegste kindertijd. Daarna heeft het leven me neutraler genomen, dunkt mij; en afgezien van de beoefening van ambachten en van wat betrekking heeft op de traditionele ziel van het volk, hebben weinig dingen op mij ingewerkt.” (Vertaald door LH)

Zie ook: http://blog.seniorennet.be/elskamp/

Liedjes

“Zooals andere Belgische schrijvers ontsnapt Max Elskamp niet aan het conflict. Geboren in Vlaanderen van een Vlaamschen vader en een Waalsche moeder, heeft hij slechts enkele woorden Vlaamsch geleerd.

En nochtans, sinds zijn jongelingsjaren was hij verrast en bekoord door de kleur en aangetrokken tot het eigenaardige rhythme van de taal en het Antwerpsche straatjesvolk. Van dan af onthield en verzamelde hij pittige en beeldrijke Antwerpsche uitdrukkingen, als zij maar oorspronkelijk waren en ontdaan van allen eerbied of van een smakelijke en vranke platheid.

Op het ogenblik, dat hij zich een vorm heeft eigen gemaakt, die door een heele boel kunstige geledingen verwant is aan den vorm van de Vlaamsche volksliederen, beleeft hij eensklaps de openbaring van treffende naïviteit van hun thema’s en van hun aanbiddelijken cadans, die met al deze lettergrepen speelt zooals de beiaard met de klokken.”

Henry Van de Velde, De poëtische vorming van Max Elskamp, vertaald door L. Zielens, (De Seizoenen nr 39), Antwerpen, 1943, p. 42-43. Houtsnede van Max Elskamp.

Ik heb geen stad meer

Je n’ ai plus de ville, Elle est soûle
Et pleine de coeurs rénégats,
Aux tavernes du Golgotha,
J’ en suis triste jusqu’ à la mort;
Je n’ ai plus de ville, Elle est soûle.

(Max Elskamp, II D’ anciennement transposé, Dominical, 1892). Foto via Gite-Belgique.

Honderdvijftig

Op 5 mei zal het honderdvijftig jaar geleden zijn dat  Max Elskamp (1862-1931) in Antwerpen geboren werd, bij hoogtij. U heeft het vast al gemerkt, in zijn geboortestad staan grootse feestelijkheden op het programma om de stichter-dichter van het Volkskundemuseum te herdenken. Aangezien men schrijvers, dode of levende, wellicht geen groter plezier kan doen dan door hun werk te lezen, zal ik me de komende dagen opnieuw verdiepen in zijn gedichten.

Over Max Elskamp

Dichter in Leuven

“Dans les années cinquante la ville de Louvain, à peine ressuscitée des cendres de la deuxième guerre mondiale, ouvrit ses portes à deux importants Roumains qui y cherchèrent un refuge: le poète Michel Stériade et le linguiste Sever Pop. Michel Stériade y a exploité un petit restaurant, situé dans la rue Saint-Martin, près de la caserne des artilleurs, aujourd’hui démolie et remplacée par un complexe d’immeubles. Il s’y retira avec ses livres pour y vivre ses dernières années. Dans ce restaurant, presque exclusivement fréquenté par des intellectuels, conduits par le chirurgien flamand Herman Verduyn, professeur à l’université, Stériade servait des mets roumains, récitait des poèmes, jouait du piano, chantait et entretenait ses clients comme un authentique cabaretier. Ce fut chaque fois une fête de se rencontrer en ce lieu de rendez-vous hebdomadaire. Il y diffusait également son Journal roumain.”

Eugène Van Itterbeek, Journal Roumain, Editura hora, Hermannstadt/Sibiu – Les Sept Dormants, Leuven, 2006, p. 166.

Toeval

Toevallig zag ik vrijdag een overlijdensbericht in de krant. Eugène van Itterbeek. Die naam – wacht – een lieve dame heeft me eens verteld dat ze hem ontmoet had in Roemenië, hij was een zeer goede verteller en schreef poëzie? Ze gaf me enkele boekjes van hem mee, die nu al te lang in mijn huis ronslingeren en die ik haar moet terugbezorgen. Ik open Instantanés Transylvaniens en vind mooie dingen, gedichten die me hier en daar herinneren aan de late Montale.

E. Van Itterbeek, Instantanés Transylvaniens, hora Verlag, Hermannstadt/Sibiu – Editions Les sept Dormants, Leuven, 2004, p. 76.

Na MSRW

Na Muriel Spark Reading Week, een wonderlijk aangegroeide stapel. Veel goeds in het verschiet.

Omdat Spark vaak verwijst naar het boek Job, heb ik dat ook maar eens gelezen. En nu vraag ik me af wie dat machtige stuk drama en poëzie heeft geschreven. Een Shakespeare van duizenden jaren geleden? Iemand met de bevrijdende gedachte dat welvaart geen bewijs is van rechtschapenheid, maar ook geen bewijs van het tegendeel. Kristalhelder op vele bladzijden, en dan plotseling weer zo bizar: drie dochters, die Tortel, Kaneelbloesem en Poederdoos heten?

Job is in elk geval een mens die moedig opkomt voor zijn eigen onschuld; God lijkt in dit Bijbelboek op een dronken opschepper in een café.

“And Harvey wondered again if in real life Job would be satisfied with this plump reward, and doubted it. His tragedy was that of the happy ending.”

Muriel Spark, The Only Problem, Penguin Books, 1995, p. 186.