
Uncategorized
Klassiek

‘k Had dit rijm nooit aangevangen / ware ’t niet op het verlangen / van een dame die volleerd / in de hoogste kring verkeert. / Zij vroeg mij dit op te schrijven / maar moet Reinaerts lied slechts blijven / bij wie hoge staat kan voeren?
Aldus schreef Willem die Madoc maakte omstreeks 1260, en hertaalde Ernst van Altena. Wij, lezers van het Nederlands, hebben heel wat te danken aan die onbekende dame. Ik probeer me haar voor te stellen.
Anna van Antwerpen

Het nieuwe boek van Herman Pleij over Anna Bijns vervult me met bewondering voor de gave van deze vrouw – dat spontaan opwellende, kristalheldere Brabants, moeiteloos gevat in de ingewikkeldste versvormen. Anna Bijns verdient beter dan de zuinige erkenning die haar gewoonlijk te beurt valt. Men stelt haar vaak nog voor als een verzuurd onderwijzeresje of een pinnige oude jongedochter; en dat iemand met hart en ziel het katholicisme zou verdedigen is in onze tijd nagenoeg ondenkbaar – veel minder voorstelbaar, bizar genoeg, dan dat iemand gruwelijke dictators als Mao of Stalin zou prijzen. Uiteraard lijdt ze onder het feit dat er geen goede en toegankelijke uitgaven van haar sprankelende werk beschikbaar zijn, een lot dat ze deelt met vele Nederlandse klassieken. Pleij citeert haar steeds erg fragmentarisch, en wanneer ik voor onversneden vermaak naar mijn Griffioenpocketje met haar gedichten grijp (indertijd ook door Pleij bezorgd), dan vind ik het refrein met de Bruegeliaanse stokregel ’t Es verloren Rosen voor soghen gestrooyt niet terug. Zo blijft de literatuurliefhebber snakken…
“Pijnlijk gevolg [van deze misverstanden in appreciatie] was dat er in 1993 te Antwerpen nauwelijks aandacht geschonken werd aan haar vijfhonderdste geboortedag. Toch waren de omstandigheden daarvoor in haar geboorteplaats, tegelijk haar levenslange atelier, optimaal – de stad was in dat jaar uitverkoren tot culturele hoofdstad van Europa. Die cultus bestond toen nog niet zo lang en dat betekende dat de stad op brede aandacht van Europa en de wereld kon rekenen. Daartoe had men zich er dan ook zeer voor ingespannen de bijzondere attracties van de stad uit heden en verleden royaal uit te stallen. Alleen Anna Bijns mocht niet meedoen. Toneelspelen en andere vertoningen rond haar leven en werk verdwenen van de agenda door hoogoplopende conflicten over de wijze waarop de moderne vrouwenstrijd geëtaleerd behoorde te worden. Er werd alleen een plakkaat ingemetseld op de plek van haar oudste woning in de Keizerstraat, nu hotel Prinse – het pand zelf was allang verdwenen. Merkwaardigerwijze – en daardoor heel veelzeggend – zijn op de Grote Markt haar geboortehuis de ‘Cleyn Wolvinne’ en het later door haar vader bijgekochte pand de ‘Grote Wolvinne’ daarnaast wel in betrekkelijk authentieke vorm bewaard, maar niet van enige markering voorzien. […] Bovenal blijkt nergens uit dat het hier gaat om het geboortehuis van een van de voornaamste auteurs uit de Nederlandse letterkunde.”
H. Pleij, Anna Bijns, van Antwerpen, Amsterdam, 2011, p. 340.
In de etalage van de antiquair

Gelukkig is het huidige politieke klimaat anders: onze rechtse partijen willen de minvermogenden bestraffen voor de crisis, die overduidelijk ook door minvermogenden veroorzaakt is. Levensnoodzakelijkheden als bedrijfswagens, gouverneurs van de nationale bank en de fiscale aftrekbaarheid van dienstencheques – van mijn huispersoneel, met andere woorden – blijven goddank gevrijwaard.
(Foto genomen in Muntstraat, Leuven)
Pieter Bruegel kijkt naar Jeroen Bosch

“Van Bosch bezat Mandijn eene verzoeking van den heiligen Antonius, heremiet : niet om vreugde, gevoelde Pieter wel, stond daar, wit van haar peerlemoeren lichaam, wit-stralend in een gloeiënde duisternis, de uitdagende Proserpina ter uiterste temptatie : schrik van nachten die woelen in de gevreesde geneuchten der zinnelijkheid. – En dat ander paneel dat Pieter te zien kreeg : het slepen van Jezus naar het Oord der Schande : meewarigheid van den schoonen bleeken kop van Christus, tusschen de groene, doods-grijze, fel-kleurige tronies van het smoelig rakalje met de brokkeltanden; gezichten van afschuw die gillen om eigen vrees te overschreeuwen, en wier brutaal-verwoede oogen zeggen hun machteloozen haat voor ’t goddelijke dat ze voelen, en dat klopt in hunne borst als een ongewenschte hamer; – o marteling van ongeloof dat zich klampt aan dit afbeeldsel van eigen verachting als aan den reddenden spiegel…
Pieter was toen in zijn vier-en-twintigste jaar.”
“Smoelig rakalje”! Op Karel Van de Woestyne kan de taalliefhebber toch altijd rekenen.
K. Van de Woestyne, Pieter Brueghel, De Eik, Antwerpen, 1944 (eerste uitgave 1914).
November

Zo asgrauw als oktober is voorgesteld in de Très Riches Heures, zo diep van kleur is november. Het lijkt alsof het palet van beide maanden is verwisseld. Een forse herder heeft zijn varkens naar een eikenbos gebracht en gooit met een stok eikels uit de bomen, zodat zijn dieren zich kunnen voeden, enkele weken voordat ze worden geslacht en hun vlees een winter lang mensen in leven zal houden. Hammen en bloedworst en kop. Een sterke, ernstige hond slaat het gebeuren gade. We zien een aantrekkelijk landschap in drie dieptes, en een verrassend realistisch en huiselijk ogend kasteel op een heuvel. Alles oogt realistischer en huiselijker dan in de kalenderbladen die door de verfijnde gebroeders Van Limburg werden geschilderd. Deze miniatuur is dan ook ruim tachtig jaar na hun dood voltooid, door Jean Colombe uit Bourges, een leerling van Jean Fouquet (schepper van de verbluffende Madonna tussen cherubijnen en serafijnen, topstuk van het Antwerpse KMSK). Hij gebruikte ook heel mooi blauw, Jean Colombe – maar de intensiteit van het ultramarijn dat de hertog van Berry zijn hofschilders in het timpaan liet gebruiken, kon hij niet meer evenaren. Na de dood van de hertog trof men in zijn nalatenschap onder meer leren buidels aan, gevuld met exotische lapis lazuli, waaruit dat kostbare ultramarijn gewonnen werd – ongetwijfeld maakten zijn door schulden geplaagde erfgenamen deze zo snel mogelijk te gelde.
(Musée Condé, Chantilly)
Délie / L’idée
Wie weet wat er tussen twee bladzijden ligt te wachten? Al geruime tijd leef ik met de gedachte dat de grootste taaltovenaar in het Frans de dichter Stéphane Mallarmé moet zijn geweest. Nu sla ik een bloemlezing open en ontdek een zestiende-eeuwse dichter die net als zijn taalgenoot verbijstert, prikkelt en meesleept: Maurice Scève.
Dans son poli, le tien Cristal opaque / Luisant en clair, par opposition / Te reçoit toute, et puis son lustre vaque / À te montrer en sa réflexion.
De tegenglans van uw Kristal vol duister / ontvangt u in zijn klare schittering / Geheel en al en opent dan zijn luister / om u te tonen in zijn spiegeling.
(vertaald door Paul Claes in De tuin van de Franse poëzie. Een canon in 100 gedichten, Amsterdam, 2011, p. 74-75. Foto via Couleurs)
Dagboek
Zwervend over het internet vond ik deze foto: enkele dagboeken van Henry David Thoreau, en een pakje potloden uit het familiebedrijf. Mooi toch, een familie van potloodfabrikanten die een schrijver voortbrengt? Hoe lang is het geleden dat ik Walden las, in een editie die rondslingerde bij de Slegte, met stoere houtsneden verlucht? Omdat mijn boeken verdeeld zijn over twee huizen, bevind ik me niet daar waar mijn Walden is, en dat spijt me plotseling acuut. Vlak bij de grens, in de logeerkamer, op de hoek van de schouw. Ongrijpbaar.
Zoals Thoreau een blokhut bouwen in het woud, bij enkele heldere meertjes, en daar gaan leven: het blijft een krachtige droom. There are as many ways as there are radii to be drawn from a centre, meen ik me als moedgevende zin uit Walden te herinneren. En een schrijver die zowel het rozijnenbrood uitvond als de burgerlijke ongehoorzaamheid, hoe zou men die niet bewonderen?
(Foto via Book Oasis)
Rakker der grenzen

‘”Hebt gij hun woorden begrepen,” vroeg de Vlaming aan zijn makker. “Ze willen dus al de Belgen als kippen in een kooi opsluiten.”
“Ja,” sprak de Plek, “maar dat zal hun nooit lukken, zolang er een rakker der grenzen bestaat.”‘
Deze zinnen zijn afkomstig uit een van mijn favoriete egodocumenten van de Eerste Wereldoorlog, het verslag dat Kempenaar Jan Vleugels naliet over zijn verzetsactiviteiten aan de Belgisch-Nederlandse grens. Hij smokkelde jongemannen die het Belgisch leger aan de Ijzer wilden vervoegen en vluchtelingen de grens over naar het neutrale Nederland (als handlanger van Edith Cavell, “Miss C” in zijn boek) en verwierf een ware Robin-Hoodstatus, toen hij erin slaagde uit de door Duitsers zwaarbewaakte gevangenis van Turnhout te ontsnappen. Hij is ook de uitvinder van het opvouwbare, houten en met rubber beklede raam dat tussen de electriciteitsdraden van de grensversperring – de Dodendraad – werd geplaatst, zodat mensen er door konden kruipen.
Vleugels, codenaam de Vlaming (die ik hem liet behouden in Almanak), wijdde een mooie beschrijving aan een nachtelijke passage met vluchtelingen in Wortel-Kolonie. Amper enkele honderden meters van de hier beschreven plaats lag mijn grootvader met zijn broers te slapen in het ouderlijke huis.
“Stil, achter elkaar, sluipt men nu door een bosgracht. Even geluisterd, wat verder weer, tot men eindelijk een lichte schemering merkt aan het einde van de gracht. Hier moet het zijn, want men hoort reeds het gerinkel der draden. Welk een gevoel dringt zich op bij het naderen van een vrije bodem, maar die nu door dit doodsgevaar omringd wordt. Een onverklaarbaar verlangen naar een geheime kracht om die andere vrije bodem te bereiken, bekruipt ons. De vier personen moeten hier even wachten, terwijl de drie rakkers, kruipende op de knieën de toestand verkennen.
Het is een kwade nacht. Geen enkel windje ruist in de bomen. Men nadert de draad en hoort of ziet geen enkele Duitse wacht. Alles ziet er dus gunstig uit en men beveelt op de knieën zacht de draad te naderen. Een enkel paar stoort zich daar echter niet aan, en is bezig te flirten op zulk een gevaarlijk punt, dat men hier heeft bereikt.
De rakkers willen hun toestel plaatsen, maar daar hoort men een plons als van iemand die struikelde. Dit gerucht werd door de waakzame Duitsers opgevangen. Wat gebeurde er nu. De stille heide werd in een woest toneel herschapen. Er werd geroepen, geraasd en geschoten. Het geweervuur weergalmde in de bossen. Langs de kant van de uitwijkelingen werd geen weerstand geboden. Al wie vluchten kon, spoedde zich heen, ieder was nu verplicht op eigen krachten te handelen. […] Juist op het ogenblik dat de Vlaming de dreef wilde oversteken, versperden de Duitsers hem de weg met geweervuur. Een enkele kogel floot langs zijn oren, maar toch sprong hij nader en bereikte aan de overkant het struikgewas en verdween in de duistere bossen.”
J. Vleugels, De rakkers der grenzen, Ravels, tweede, herziene druk 1978, p. 25; 27-28 (eerste druk: 1930).
Dodendraad

Vannacht droomde ik, vreemd genoeg, van de Dodendraad. Ik lag ineengekrompen op de grond en hoorde de electriciteit door de staaldraad zingen. Als kind op het platteland heb ik uiteraard een ruime ervaring opgebouwd in het onder prikkeldraden doorkruipen, maar de Dodendraad heb ik zelf nooit gezien: de Duitse bezetter sloot er de Belgisch-Nederlandse grens mee af tijdens de Eerste Wereldoorlog. De dodendraad speelde een rol in het leven mijn beide grootvaders, die als kinderen vlakbij woonden. De ene werd getraumatiseerd door een afschuwelijk ongeluk dat niet ver van zijn vaders huis aan de draad gebeurde: twee zussen wisselden pakjes uit door de grensversperring en werden allebei geëlectrocuteerd. Mijn grootvaders vader kreeg van de Duitse militairen het bevel om paard en wagen in te spannen en de lijken op te gaan halen. Ik gebruikte deze ervaring in mijn roman Almanak.
“De lichamen lagen uitgestrekt op bussels stro, er waren paardendekens overheen gelegd, en de dikke soldaat, Karl, de goede, die zich dikwijls liet omkopen, hield de wacht, het geweer in de aanslag. Achter hem ijsbeerde Von Erztum. Da sind sie ja endlich, snauwde hij. (Slechts eenmaal, met Kerstmis vorig jaar, toen ze met het hele gezin waren uitgenodigd in hun eigen beste kamer en daar voor de eerste keer een kerstboom vol kaarsen en snoepgoed zagen, had Frans de officier een andere toon horen aanslaan.) Machen sie vort, dies alles dauert schön viel zu lange! Dikke Karl, zo werd in het dorp al verteld, had de buurvrouw gered door zijn geweer op haar te richten toen ze in paniek Tabitha van de draad wilde losrukken en door haar toe te brullen dat ze niks mocht aanraken. De Duitsers hadden iemand naar de cabine in Wortel gestuurd om de electrische stroom uit te schakelen; zo konden ze het lichaam van Jouwke, gevallen op Hollands grondgebied, onder de prikkeldraad doortrekken. De zusters moesten nu samen worden begraven, al had de grensversperring hen meer dan een jaar van elkaar gescheiden.
Frans hoorde de draad zoemen. Voordat de Duitsers deze versperring hadden opgetrokken, kende hij geen electriciteit; nu stelde hij zich die vreemde kracht voor als onzichtbare bliksems die door de manshoge prikkeldraden heen en weer schoten, het verbaasde hem soms dat hun stekels niet knetterden van de withete vonken. Hij had al verkoolde hazen en katten gevonden op zijn zwerftochten, hun koppen zagen eruit alsof ze van binnenuit waren verbrand en ontploft. Dat bedroefde hem – wat konden de beesten eraan doen, aan de zotheid en de slechtheid van die mensen? Ze leefden gewoon in het veld en het onderhout, zoals alle hazen en katten voor hen hadden gedaan, sinds de schepping van de wereld.
Vlak bij de draad lag een klomp in het gras, zag hij, en aan de overkant een kannetje.”