
Op de campus van de Goethe-Universität in Frankfurt staat het bureau van Theodor Adorno onder een stolp. Een filosoof die me niet aanspreekt, maar enig respect voor denkers is altijd meegenomen.

Op de campus van de Goethe-Universität in Frankfurt staat het bureau van Theodor Adorno onder een stolp. Een filosoof die me niet aanspreekt, maar enig respect voor denkers is altijd meegenomen.

Donderdag en vrijdag mag ik even de woordvoerder van Bruegel en Rubens zijn in Frankfurt. Ik verheug me ook al op deze prachtige expo in het Städel Museum: Rubens – The Power of Transformation.

Blij toe met deze nieuwe uitgaven van Standaard (& Matsuoka) Uitgeverij, twee Franse prachtstrips nu in Nederlandse vertaling beschikbaar.


“De menschen denken mij ’n bleek, triestig meisje, dat heur genoegen schept in ’t ontvangen van ellenlange Jeremiaden van brieven en heel den dag ligt te kniezen en te weenen.”
Ik lees ze met plezier, de brieven van Alice Nahon die Manu Van der Aa in eigen beheer (!) aan ons heeft bezorgd. Wat kon díe vrouw flemen, denk ik dikwijls, met stomheid geslagen. Maar wat kon ze ook schrijven. “Mijn ziel ligt overhoop zoals de koffer met niet beantwoorde brieven,” daar valt niets aan te verbeteren. “Ik voel mij hier alleen gelijk een luis op een kletskop”, daarvan kreeg ik dan weer de slappe lach.

Er lag een geïllustreerde Bijbel opengeslagen in de Sint-Antoniuskapel van Achtel en zo dacht ik voor het eerst in jaren weer eens echt na over de schilder Fra Angelico. Een kunstenaar die zo beroemd is of was dat je geneigd bent hem te vergeten.

Dankzij Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen ontdekte ik onlangs een topstuk in mijn geboortestreek. “Taferelen uit het leven van de H. Jozef” hangt zomaar in de Sint-Katharinakerk van Hoogstraten. Nooit eerder op gelet. Zo gaat dat wel vaker.
“Het paneeltje bevindt zich in een kapel van de rechterzijbeuk. Aan de overzijde van de kerk stond van oudsher een paneel opgesteld met de uitbeelding van de Zeven smarten van Maria. Jozef en Maria, eeuwenlang van aangezicht tot aangezicht tegenover elkaar. Ik ben de onbekende meester uit de school van de Meester van Flémalle wel dankbaar. Zijn doordachte weergave van taferelen uit Jozefs leven herinnert je eraan wat voor soort man Jozef eigenlijk was. Een man die geen eremoord pleegde op een vrouw die in opspraak kwam. Een man die niet beschuldigd zou worden in MeToo-campagnes. Een vluchteling. Een zorgzame man. Heden ten dage zou je hem ook gewoon de patroonheilige van de nieuw samengestelde gezinnen kunnen noemen.”
De rest is te lezen in het februarinummer van OKV.
“Kende u de kolonies, dierbare dakloze? In dat geval leeft u allang op straat, met zolen van wind, zoals de dichter Rimbaud dat noemde. Misschien zwerft u soms nog wel die richting uit, om uw vroegere verblijf terug te zien. Het is allemaal fris opgeknapt. Het is zelfs toeristisch geworden. Al die mooie bossen en negentiende-eeuwse infrastructuur. De boerderij waar u de koeien en varkens verzorgde en sigaretjes rolde, is nu een bezoekerscentrum geworden. Mooi ingericht, met een mooi restaurant. Mensen met dure fietsen komen er verpozen.”
Voor Rekto:verso schreef ik een brief aan een dakloze. Lees het hele epistel hier.
“Zij betrad de armelijke schuilplaats van zijn afgeleefde muze, waar het rook naar beschimmelde boeken. Op de gepleisterde muren waren vochtige plekken. De gebroken ruiten van de bevroren vensters waren vervangen door lappen. Op een scheve, met inkt bemorste schrijftafel lagen ganzenpennen en flarden papier, waarop wellicht de eerste ontwerpen voor gedichten stonden.”
Een mooi boek, die historische roman van Dmitri Merezjkovski over Leonardo da Vinci. Zoals wel meer romans van dichters is het voornamelijk een opeenvolging van glasheldere tableaux vivants, geschraagd door een diep filosofisch idee. En berustend op uitmuntende historische studie en inlevingsvermogen. Merezjkovsi’s beschrijving van de Milanese hofdichter Bernardo Bellincioni vond vandaag weerklank bij me.
Niet te geloven dat deze roman uit het jaar 1900 stamt. En het tweede deel is van een trilogie. Was ik uitgever, ik zou niet aarzelen.

Vanavond opent in het MHKA de retrospectieve met werk van Anne-Mie Van Kerckhoven, AMVK.
In haar boek Paradogma uit 1993 lees ik dit mooie fragment:
Het is me een waar genoegen 2 soorten stappen bij mezelf te kunnen ontwaren: een vrouwelijke en een mannelijke.
De mannelijke op de trap: traag maar zeker, vrij, eenzaam, gedreven, bedwongen energie, gelaten en weemoedig naar omstandigheden die er nooit zijn wanneer ze moeten.
De vrouwelijke, op dunne hakken, spoeden zich over droge straatplaveien terwijl ze een aangenaam hortend, uitdagend soort instabiliteit ten gehore brengen. Alsof de hiel aan de straten blijft haperen waarna de andere voet direct hetzelfde gaat doen, ofschoon er nooit gevallen wordt. De hapering is namelijk vormelijk en seksueel geladen.
De stijl, de wensen en de verwachtingen manifesteren zich in een tussenstap die kort en afgemeten de straten vrijpostig overmeestert, die van god noch gebod weet, niet te temmen is en de goede dosering tussen geven en nemen nooit zal vinden.
Vorige zondag kocht ik een standaardwerk over Abraham Ortelius, Antwerps kaartenmaker, kunsthandelaar, uitvinder van de atlas zoals wij die kennen en vriend van Pieter Bruegel. Komende vrijdag ga ik naar het Museum Plantijn-Moretus, waar studenten van het Instituut voor Typografie een verhaal van me zullen vormgeven op papier. Ortelius en Plantijn, twee liefhebbers van boeken en kunst, twee rolmodellen, wier portretten tegenover mijn bureau hangen. De kaleidoscoop van het leven levert deze week een mooie samenhang op.