Detail

Cherubijn, kapel, Minderhout
Cherubijn, kapel, Minderhout
De kapel van Minderhout behoort sinds jaar en dag tot mijn favoriete gebouwen, te meer omdat ze opgetrokken werd dankzij Waltman Van Dyck, de jongste broer van Antoon. Het voordeel van dat soort genegenheid is, dat je bij elk bezoek nieuwe details waardeert. Deze mollige zeventiende-eeuwse cherubijn met kuiltjes boven de vingers en in de elleboog wist vandaag te charmeren.

Geslaagd

Vier weken
Vier weken
Een onstuimige lentedag mag geslaagd worden genoemd, wanneer men een nieuw vennetje heeft gevonden, een roodborsttapuit heeft gezien en regenwulpen en een tureluur en twee fazantenhanen, en de plaatsnamen Vossenschoor en Stoutengat in zijn geheugen heeft geprent (“hier ging Pa altijd jagen”). Treft men dan binnenshuis twee katjes die exact vier weken oud zijn, dan is dat mooi meegenomen.

Het schild van Achilles

Het schild van Achilles, Rundell, 1821.
Het schild van Achilles, Philip Rundell, 1821. Royal Collection, Verenigd Koninkrijk.
Misschien verraste zang 18 van de Ilias me tot nu toe het meest. Alle oorlogsgeweld valt stil wanneer Homeros plotseling een hele zang wijdt aan de god van het vakmanschap, Hefaistos, die een nieuwe wapenrusting smeedt voor Achilles. Het schild van de held wordt zorgvuldig beschreven: het bevat een voorstelling van het uitspansel met hemellichamen, twee steden, een huwelijk en een rechtszaak, oogsttaferelen.

De wijd en zijd vermaarde manke god
heeft ook een dansplaats kunstig afgebeeld,
zoals weleer door Daidalos met zorg
gemaakt werd in het uitgestrekte Knossos
voor Ariadne met de mooie lokken.
Daar dansten jonge kerels, jonge meisjes
wier bruidsgeschenk veel runderen omvatte,
zij hielden met de hand elkanders pols vast.
De meisjes droegen fijne linnen kleren,
de jongens goed gesponnen chitons, zacht
geglansd met olie. En de eersten hadden
een mooie diadeem, de jongemannen
een gouden mes dat aan een draagriem hing
van zilver. Nu eens liepen zij heel licht
van voet en heel bedreven in het rond
zoals de draaischijf van een pottenbakker
goed in zijn handen past – de man gaat zitten
om na te gaan of zij wel soepel loopt.
En dan weer liepen zij in rijen op
elkander toe. Een grote menigte
stond rond de lieflijke dans geschaard
en vond er vreugde in. En in hun midden
maakten twee duikelaars hun buitelingen
zodra gezang en dans was ingezet.
Hefaistos beeldde op de buitenrand
van het met zorg gesmede schild de grote
en sterke stroom uit van Okeanos.

Deze fantastische passage heeft uiteraard andere kunstenaars geïnspireerd. John Flaxman maakte in het begin van de negentiende eeuw een ontwerp naar Homeros’ beschrijving; de goudsmid Philip Rundell voerde het uit; het schild maakt sinds 1821 deel uit van de Britse koninklijke collectie. Op de website kan men details bekijken.
Indien een persoonlijke mededeling toegelaten is – omdat ik zelf vaak geïnspireerd word door kunstwerken en ze dus ook in mijn romans beschrijf, doet het wonderlijk goed om hetzelfde procédé terug te vinden in de bron van de westerse letterkunde zelf. Ekfrasis! En zulk een schitterend voorbeeld.

Homeros, Ilias. Wrok in Troje, Amsterdam, 2010, p. 533-534.

Europa

Het moet prettig zijn om langs een kade te wandelen en dit op Ovidius’ Metamorphosen geïnspireerde boegbeeld te ontwaren.

Zie hem, die huid van sneeuw, als sneeuw die niet betreden is
door zware voetstap of door natte zuidenwind ontluisterd;
zijn nek staat bolgespierd, halskwabben hangen zijwaarts af,
zijn horens zijn niet groot, maar zo, dat je zou kunnen denken
dat iemand ze bewerkt had, glanzender dan edelsteen;
zijn voorhoofd heeft niets dreigends en zijn blik niets vreesaanjagends,
zijn kop getuigt van vrede. Agenors dochter is verbaasd
dat hij zo mooi kan zijn, zo helemaal geen vechtlust uitstraalt.
Eerst durft ze hem nog niet te strelen, ook al is hij lief;
dan komt ze toch met bloemen die ze voor zijn blanke bek houdt.
[…]
Zo, langzaam aan, verdwijnt haar angst. Hij steekt zijn borst vooruit
om door haar hand gestreeld te worden; biedt zijn hoorns, die ze
met frisse kransjes tooien mag, en dan, niet wetend wie
hij is, durft de prinses zelfs op zijn stiererug te klimmen!

De driemaster Europa vaart nog rond, met een bemanning van veertien. Lees meer in de afdeling Stories van Maharam.

Ovidius, Metamorphosen, vertaald door M. d’Hane-Scheltema, Amsterdam, 1999, p. 68.

Wisselwerking

Elsnouwen

Heel vreemd: ik wilde de verf aanraken. Dat overkomt me niet vaak bij schilderijen. Maar in Ruimte Morguen zag ik de verf in korsten en pieken, in splinters en scherven boven op de virtuoze voorstellingen liggen. Eerst een technisch volmaakt schilderij schilderen, met taferelen die sinister, onschuldig of zwaar beladen zijn – dat is niet meteen duidelijk; dan enkele stappen afstand nemen, het resultaat bestuderen; vervolgens het penseel opnieuw in de verf dopen en een ongebreideld antwoord geven op al die virtuositeit. Het levert een bijzondere ervaring op, alsof je in chaos een verontrustend beeld ziet ontstaan en vergaan, alsof je in dezelfde kamer naar klassieke en experimentele muziek luistert, die elkaar toch wonderlijk voortstuwen.
De concentratie die deze schilderijen van me eisten, deed me goed. We worden dag in dag uit overvoerd met voorbijflitsende beelden, dan is het verhelderend om een half uur naar vier schilderijen aan een wand te kijken en hun kracht op het oog te laten inwerken. En ik beleefde het genoegen de kunstenares zelf over haar werk te horen spreken, nu eens terloops, dan weer met filosofische precisie. Vorige week de prenten van Hiëronymus Cock, aan wie ik geen vragen meer kan stellen, deze week Interference van Els Nouwen: veel om over na te denken.

Interference, in Ruimte Morguen, Waalse kaai 22, Antwerpen, tot 8 juni.

Zwart en wit

J. Wierix, Portret van Volxcken Dierix, prentenhandelaarster, 1579, Koninklijke Bibliotheek van België, Prentenkabinet. (detail)
J. Wierix, Portret van Volxcken Dierix, prentenhandelaarster, 1579, Koninklijke Bibliotheek van België, Prentenkabinet. (detail)

Van alle kunstvormen is grafiek het gemakkelijkst weer te geven in foto’s. Dat klinkt aannemelijk, nietwaar?
Onlangs ontdekte ik op de tentoonstelling over prentenhandelaar Hiëronymus Cock in Leuven dat de zaken anders in elkaar zitten. Jazeker, grafiek bestaat uit zwart en wit en lijnen; en nee, foto’s doen daar geen recht aan. De prenten aan de muur sloegen me met verstomming door hun kwaliteit, hun vernuft, hun levendigheid. Hun wetenschappelijkheid, ook, want de wereld werd ontdekt en getoond, van het reliëf op laatantieke bekers in heerlijk detail tot de ritmische en doeltreffende structuur van de Thermen van Diocletianus in Rome. En een prent niet groter dan een herenzakdoek toonde me de goden van de Olympus, schijnbaar recht boven mijn hoofd op duizelingwekkende hoogte.
Mocht er in 1558 een vrouw in Antwerpen hebben geleefd wier karakter in grote lijnen overeenkomt met het mijne, dan stel ik me voor hoe ze haast elke week haar mantel omsloeg en naar prentenhandel In de Vier Winden wandelde om te kijken of er nieuwe prenten waren aangekomen, mooie prenten uit het elegante Italië of grappige en navrante prenten van die Pieter Bruegel. En om er een praatje te slaan met Volcxken Dierix, net als haar man Hiëronymus een kenner en gewiekste zaakvoerder.

Het woud van spreekwoorden

Als die pere rijp is, so valtse geerne inden drec.
Beter is een diet heeft ghesien / dan van hooren seggen tien.
Boomen wter aerden lieghen.
Beteren als jonghe wolven.
Die catte is geerne daermense strijct.
Die hem selve ketelt die mach lachen als hij wilt.
Hij is so willecom als den eersten dach in den vasten.
Smits kinderen sijn der voncken gewoon.

Gisteren vatte ik sympathie op voor de minderbroeder Tacitus Nicolaus Zegerus (Claes Zegers, +1559), die rondliep in Brussel, Antwerpen, Amsterdam en Leuven, genoot van pittige zegswijzen die hij links en rechts hoorde en daar in zijn vrije uren een boekje van maakte. Proverbia teutonica. Het rolde in Antwerpen zesmaal van de persen tussen 1551 en 1571, een verdiend succes.

Ik vond zelfs een spreekwoord dat helemaal bij mijn aanslepende sinusitis paste. Die te seer snut die bloet die neuse. En zo zit men dan breed glimlachend in de bibliotheek.

Koken als herenboer

Drink dit erbij. (Illustratie van John den Besten in de Nederlandse Artusi)
Drink dit erbij. (Illustratie van John den Besten in de Nederlandse Artusi)

Wat is dat oude kookboek van Pellegrino Artusi toch mooi geschreven en, in de Nederlandse vertaling, heerlijk geïllustreerd. Mijn oog viel op dit recept. Niet dat ik het daar ter plaatse ooit heb zien bereiden.

Dolce uit Firenze
Aangezien ik het gerecht in deze schitterende oude stad heb ontdekt en niemand de moeite had genomen het een naam te geven, heb ik de stoute schoenen aangetrokken en het Dolce Firenze genoemd. En als het vanwege zijn bescheiden aard niet genoeg eer doet aan deze illustere stad, dan kan het zich verontschuldigen met de woorden: ‘Verwelkom mij als huiselijk gerecht dat voor weinig geld uw tong zal strelen.’
Snijd het brood in dunne plakken, rooster ze heel even, besmeer ze nog warm aan beide kanten met boter en leg ze in een schaal die mooi genoeg is om het gerecht erin op te dienen. Bestrooi het brood met rozijnen en de geraspte citroenschil. Klop de eieren en de suiker in een kom schuimig, voeg de melk erbij en giet dit mengsel over de ingrediënten in de schaal. Zet de schaal op een treeft in de open haard met een zacht vuur eronder, leg het deksel van een veldoventje erop met vuur erbovenop en dien het gerecht warm op. Voor vijf personen moeten de hoeveelheden voldoende zijn. (100 g suiker, 60 g zeer fijn brood, 40 g sultanarozijnen, 3 eieren, boter, naar behoefte, 1/2 l melk, geraspte schil van 1 citroen)

Nog even een open haard, een treeft en het deksel van een veldoventje bij elkaar scharrelen.

Pellegrino Artusi, De wetenschap in de keuken en de kunst om goed te eten, vertaald door P. De Voogd en M. Geuzebroek, geïllustreerd door J. Den Besten, Bussum, 4de druk, 2001, p. 383.

Thriller

Sint-Joris, Sint-Joriskerk, Antwerpen
Sint-Joris, Sint-Joriskerk, Antwerpen

Met behulp van een queeste kun je ervoor zorgen dat lezers de bladzijden blijven omslaan, omdat ze willen weten hoe alles in elkaar zit. Mijn ervaring is echter dat pageturners altijd weer uitlopen op een anticlimax. Was het dat maar? En wanneer je een queeste opbouwt rond Vlad Dracula, dan zit je met het probleem dat Vlad Dracula in de laatste hoofdstukken van je boek tevoorschijn moet komen, in onlevenden lijve, in 1954. Moeilijk om daar iets overtuigends van te maken. Of misschien zit ik met het eeuwige schrijversprobleem, de gedachte: ik zou die figuur anders hebben aangepakt. Natuurlijk, het is grappig dat schrijfster Elizabeth Kostova een bibliofiel van hem maakt, en daarnaast het verrassende nevenpersonage the evil librarian introduceert.

In elk geval heb ik het boek net op tijd uit. De legendarische Sint-Joris speelt een grote rol in Dracula’s leven. Morgen is de feestdag van Sint-Joris. En een heilige die een prinses redt van een draak, die heeft wel iets.

E. Kostova, The Historian, New York-Boston, 2005.

Keizerskroon

Keizerskroon (fritillaria imperialis)
Keizerskroon (fritillaria imperialis)

In mijn ouders Kempense tuin bloeit eindelijk de keizerskroon. Plantaardig erfgoed, in de zestiende eeuw door bemiddeling van botanici als Charles de l’Ecluse (Carolus Clusius) en diplomaten (Ogier van Busbeke),  vanuit Turkije naar onze streken gebracht via het keizerlijk hof in Wenen. Het moet lukken, dat ik net ook een onderhoudende thriller aan het lezen ben over de Val van Constantinopel, Vlad Dracula, Sultan Mehmet II en de verdere geschiedenis van Oost-Europa en Istanbul.

E. Kostova, The Historian. A Novel, New York-Boston, 2005. This proof was made from the author’s manuscript, set and bound for your reviewing convenience. Afkomstig uit de kringloopwinkel. Al de voorspelbare ingrediënten van een queeste, maar het doet goed om vast te stellen dat de schrijfster historisch ongeveer duizendmaal beter onderlegd is dan de heer Dan Brown.