Vanavond wordt het boek Landlopers van Toon Horsten aan het publiek voorgesteld op de meest toepasselijke plaats: de voormalige boerderij van Wortel-Kolonie. Landlopers belicht tweehonderd jaar sociale geschiedenis in België en maakt ook vele herinneringen los, vermits ik opgroeide in Wortel-Kolonie, een groene long, en Merksplas-Kolonie, een “utopisch dorp” volgens een architect die de site heeft bestudeerd. De Kolonies waren lang een wat obscuur onderwerp, letterlijk gesitueerd aan de rand van het land, waarover men informatie bij elkaar moest sprokkelen in negentiende-eeuwse rapporten en licentiaatsthesissen. Dankzij dit meeslepende boek is dat niet langer nodig. Al lezend verneem ik veel boeiende, soms verbijsterende zaken en trekt ook een stoet personages uit Almanak weer voorbij.
Uncategorized
Bakkie troost
Zondag doopten we in De Zondvloed het nieuwe boek van Marc Kregting met koffie en heerlijke koffiekoeken van bakkerij Walravens uit Mechelen. Al lezend in het mooi uitgegeven Koffie. Een doeboek hoop ik nu meer te vernemen over Multatuli en Max Havelaar, de Nespresso-gekte, de ontelbare wijzen waarop koffie in ons dagelijks leven doorsijpelt. Is thee voor watjes en koffie voor doeners, zoals een vriendin denkt, maar niet luidop zegt? Is koffie geschikt voor vrouwen die slank willen blijven en geleidelijk overschakelen op louter vloeibaar voedsel (onder het motto: als het vloeibaar is dan telt het niet), of past het toch meer bij astronauten en stugge onderhandelaars? Terwijl mijn eerste kopjes van de dag percoleren, neem ik alvast deze zinnen uit het Engelstalige voorwoord tot me: “According to a survey undertaken by foodbanks, besides sugar and milk, coffee was the most asked-for item among the underprivileged. And unlike meat, butter, milk cheese, potatoes and eggs which, in the average western nation or province, could, at least with the help of some animals, be produced in a back garden, coffee is something self-sustaining individuals can’ t grow.” Hetgeen me herinnert aan de woorden van de norbertijn Arie Sanden (pseudoniem van Xaveer Adriaensen), die in 1911 sociale wantoestanden in Turnhout, alias Freybosch, hekelde: “Freybosch is gezegend met een aantal fabrieken waar in vroeger dagen de werklieden te weinig wonnen om te leven en te veel om te sterven, dit laatste zeer zeker, aangezien zij geregeld elken zaterdag met koffie en rijst in plaats van met klinkende specie t’ huis kwamen, en ieder verstandig mensch ervan overtuigd moet zijn, dat men met rijst heel wel in ’t leven blijft en ’t vrouwvolk de koffie niet kan missen. Tegenwoordig nog moet het werkvolk, ondanks alle wetten, extra-goed uit zijn ogen zien, om niet gepluimd te worden …”

Marc Kregting, Koffie. Een doeboek, Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2013, p. 9-10.
Arie Sanden, Een wereldje (1911), geciteerd in L. Huet, Turnhout. Onverwachte schrijvers …., Turnhout, 2002, p. 104.
Lesje voor biografen
Wat een heerlijke film, Joann Sfars Serge Gainsbourg, Vie Héroïque. Ik keek geamuseerd toe en vroeg me meermaals af of het niet beter zou zijn om te beginnen met roken: al die elegante gebaren die een sigaret toelaat en die nu eenmaal niet te imiteren vallen met een gebakvorkje – en vergeten we ook de impact van smoky eyes niet. Sfars sprookjesachtige aanpak werkte bevrijdend – misschien moeten biografen maar eens wat loskomen van voetnoten, boodschappenlijstjes en verslagen van de gemeenteraad, en overwegen hoe hun onderwerp hun poëtische fantasie stimuleert. Charmant en geestig ook, Yolande Moreau als Fréhel – Belle époque zangeres van “realistische” liederen -, Anna Mouglalis (en een zwarte kat) als Juliette Gréco, Laetita Casta als Brigitte Bardot en Lucy Gordon als Jane Birkin.
Beloften

Wees op uw hoede. Indien iemand op Valentijnsdag zou zeggen: “Ik zal geen ander trouwen dan jou,” dan ontstaat er wettelijk noch een verloving, noch een huwelijk. Zegt iemand daarentegen: “Ik trouw geen ander dan jou,” dan constitueert dat wel degelijk een geldige huwelijksbelofte. Performatief taalgebruik, weet u nog? Uit een achttiende-eeuwse universiteitsthesis.
De listenrijke
Wonderlijk goedgekozen beelden, vaak, in de Ilias. Dit, bijvoorbeeld, over de welsprekendheid van Odysseus:
Maar toen de sluwe Odysseus opsprong,
bleef hij een tijdlang stil, hij keek omlaag,
de ogen strak gevestigd op de grond.
En hij bewoog zijn scepter niet, naar voor
noch achter, maar hij hield hem vast omklemd
als iemand die niets wist te zeggen.
Je zou haast denken dat hij knorrig mokte
of simpelweg onnozel was. Maar liet hij
zijn diepe stem opklinken uit zijn borst,
woorden als vlokken sneeuw in wintertijd,
dan kon geen sterveling wedijveren
met Odysseus. Van toen af keken wij
niet zo verbaasd meer op bij zijn verschijning.
Schitterend, die vergelijking van overtuigende, ja manipulatieve woorden met een sneeuwvlaag die de toehoorders het zicht beneemt.
(Uit boek 3, vertaling door P. Lateur.)
Brief van Briseïs

Dit heeft Briseïs, geroofd uit jouw tent, eigenhandig geschreven,
zondig ik tegen de taal, ’t is een niet-Griekse die schrijft.
Zie je soms vlekjes, geloof me, die zijn door mijn tranen veroorzaakt;
tranen, een zwijgende spraak, opwegend tegen het woord.
Past het mij wel, een slavin, mijn meester en man te berispen?
Lees dan, mijn meester en man, hier een klein woord van kritiek.
Dat ik zo snel aan de koning ben afgestaan toen hij dat eiste,
dat reken ik je niet aan; toch heb ook jij daaraan schuld.
Want toen ze mij kwamen halen, ben ik aan Talthybius en aan
Eurybates zonder meer, zonder protest afgestaan.
Nog zie ik in beider ogen die blik, zonder woord elkaar vragend:
waar is die liefde waar heel Griekenland lovend van spreekt?
Homerus’ woorden over Briseïs inspireerden Ovidius eeuwen later tot het schrijven van een van zijn Heldinnenbrieven, een bundel gedichten waarin beroemde vrouwen zich tot de mannen in hun leven richten. Het is een verrassend hedendaags idee van literaire voortzetting (denken we maar aan Carol Ann Duffy’s geestige bundel The World’s Wife) en nu ik door de brieven blader, stel ik vast dat Ovidius een bijzonder levendig inzicht had in de vrouwelijke psyche. De metrische vertaling door W.A.M. Peters had naar mijn lekenopvatting wat zwieriger gekund, maar ik ben blij dat ik in mijn boekenkast in elk geval een vertaling aantref.
Ovidius, Legendarische vrouwen [Heroides], vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door W.A.M. Peters, Ambo/Baarn, 1994, p. 33.
Briseïs

Vrouwen als oorlogsbuit bij plundering. Grieks aanvoerder Agamemnon moet zijn bonus Chryseïs opnieuw afstaan aan haar vader, omdat de god Apollo dat zo wil. Uit wraak eist hij de buit op van zijn rivaal Achilles, het meisje Briseïs (een naam die slechts betekent ‘dochter van Briseus’). Achilles geeft toe, maar weigert nog langer voor de Grieken te vechten. Dat is het conflict op aarde in het eerste boek van de Ilias; het conflict op de Olympus is het eeuwige vechthuwelijk tussen Zeus en Hera, die in de Trojaanse oorlog voor verschillende partijen supporteren.
Het lijkt een vrouwenkwestie; en toch kun je niet zeggen ‘Cherchez la femme’ en vervolgens naar Chryseïs en Briseïs wijzen, omdat die twee volstrekt machteloze pionnen zijn.
Agamemnon is overigens min of meer verliefd op Chryseïs, Achilles op Briseïs. Betekent dit dat de krijgers uit de bronstijd vrouwen wel buitmaakten op vijanden, maar zich niet schuldig maakten aan verkrachting op grote schaal, als oorlogsdaad? Chryseïs en Briseïs kunnen niet gelden als bewijs: zij waren van voorname afkomst. Wat er met gewone vrouwen en meisjes gebeurde nadat hun mannen verslagen waren en hun steden veroverd, daar hebben we het raden naar.
Patrick Lateur vertaalde:
Maar Agamemnon liet de uitdaging
waarmee hij eerst Achilles had bedreigd
niet los. Talthybios en Eurybates,
zijn twee herauten, ijverige dienaars,
sprak hij toen aan: ‘Ga naar Achilles’ kamphut,
neem Briseus’ dochter met de mooie wangen
van Peleus’ zoon, en breng haar hier. Geeft hij
haar niet, kom ik dat eergeschenk zelf halen,
met méér volk, wat voor hem nog erger is!’
Tiepolo laat ons eens te meer niet in de steek bij het verbeelden.
Homeros, Ilias. Wrok in Troje, vertaald door P. Lateur met een nawoord van T. Holland, Amsterdam, 2012, p. 20.
Paris
Ja, ik kijk naar Gilmore Girls na het avondeten. Lorelai en Rory zijn onderhoudende personages, maar misschien geef ik het meest om de gekwelde tiener Paris, die op een vrijdagavond voor de derde keer de Ilias wil uitlezen. Slimme en belezen meisjes, daar zijn er nooit genoeg van. (Briljant is ook haar opmerking: ‘Ik heb één woord voor Jack Kerouac: schrappen!’)
En dus is het wellicht aan een tv-personage te danken dat ik de Ilias uit mijn boekenkast heb gehaald en vele herinneringen aan school voel opwellen bij het lezen van het snel opgebouwde, psychologisch razend knappe eerste boek. De langharige Achaeërs, de koeogige blankarmige Hera, de zoete slaap, de zilvervoetige Thetis, daar zijn ze weer.
Sofia
Ooit zag ik in boekendorp Redu dit kookboek van Sofia Loren uit 1971. De wonderlijke cover bleek onvergetelijk, maar uiteindelijk belandde er een paar jaren later een herziene editie in de keukenkast. Celebritykookboeken zijn doorgaans te mijden; Sofia Loren heeft echter een mooi en bruikbaar werkje afgeleverd. In het dankwoord vertelt ze overigens al met verrassende eerlijkheid dat ze een aantal recepten heeft ontleend aan haar huishoudster, Livia Orlandi. Coniglio alle erbe (konijn met kruiden) en tonno fresco con funghi (verse tonijn met paddestoelen) behoren tot de favorieten, net als de pasta carbonara, pasta van de houtskoolarbeiders, heerlijk machtig met room, eierdooiers en pancetta (spek). De actrice leerde dit recept kennen tijdens de opnames van het hartverscheurende La Ciociara, in een bergachtige streek op enkele uren rijden van Rome. “De bergbewoners boden de cast en andere medewerkers een bepaalde pastaschotel aan, maccheroni alla carbonara. Deze pasta hadden ze zelf bereid. Hij bestond uit lange, dikke, massieve pasta die oneerbiedig strozzapretri (priesterwurgers) werden genoemd. Onze onvergelijkbare regisseur, Vittorio De Sica, en ik vroegen of we nog een tweede bord mochten opscheppen en ik zorgde ervoor dat ik de volgende dag werd uitgenodigd om te komen kijken hoe zij dit heerlijke recept bereidden. Sindsdien heb ik al vele malen bucatini alla carbonara gegeten. Dit recept is trouw aan de manier waarop de houtskoolarbeiders het bereidden, maar het zal helaas nooit meer dezelfde smaak hebben als het toen had.”
Een samenvatting: sauteer in een pan stukjes pancetta en takjes krulpeterselie. Klop in een schaal de eidooiers (1 per persoon), de zure room – of desgewenst lichtere ricotta – en de geraspte parmezaanse kaas door elkaar. Kook de pasta beetgaar, laat uitlekken, doe er het spek en peterselie en het roommengsel overheen. Goed mengen. Peper. Voilà. Opdienen met extra parmezaanse kaas.
S. Loren, Mijn lekkerste recepten en mooiste herinneringen, ingeleid door G. Armani, vertaald door J. Hetebrij, Aartselaar, 2005?, p. 72-74.
Kleinkunstpocket
“Al die dingen waar troebadoers nu al zo lang liedjes over zingen. Elke herfst opnieuw. Want ja, dan begint altijd opnieuw het kleinkunstseizoen. En meteen ook voor mij het kelder-, schuur- en teaterleventje, zoals het vijf jaar geleden begon.” Met die woorden leidde de samenstelster in 1972 dit naslagwerkje in. Het bevat korte biografieën van de bekendste Vlaamse en Nederlandse kleinkunstenaars die deelnamen aan de Nekka-nacht (onder wie Kor Van der Goten, Tim Visterin, Leen Persijn, Wim de Craene, Della Bosiers, Wannes Van de Velde, en zelfs Henk Elsink), foto’s van wapperende lokken, tal van liedjesteksten, en wonderlijke extra informatie: zo verneem ik van haast elke artiest de verjaardag en het adres.
Een tijdmachine.
(Gevonden in een Antwerps antiquariaat.)



