Sidonia

Sidonia in 'De briesende bruid'
Sidonia in ‘De briesende bruid’

De Apekermis. Het Eiland Amoras. De Briesende Bruid. Het was prettig om nog eens een dag in het gezelschap van Sidonia door te brengen. Hieronder een stukje uit mijn nieuwe column voor de reeks Heldinnen in Stripgids.

“Als jonge lezer voelde ik me thuis bij Sidonia. Ze mocht dan niet geïnteresseerd zijn in kleding, ze was wel een gedreven binnenhuisarchitecte. In elk album zag haar huis er anders uit, ze had schijnbaar onbeperkte middelen om kamers opnieuw in te richten. Vaste waarden bleven: bloemen op het dressoir, thee en koekjes op de salontafel, voedzame maaltijden aan de eettafel, mooie lakens en dekens op de bedden. Of het nu hypermodern of klassiek was aangekleed, Sidonia’s huis was altijd huiselijk. Later las ik Virginia Woolf, een schrijfster voor wie het vermogen van vrouwen om een warme omgeving te scheppen een grote betekenis had. Mede dankzij Sidonia begreep ik meteen waarover ze het had.
Tante is een gevoelsmens. Slecht nieuws, stress en oorlogsberichten maken haar soms zo nerveus dat ze een zenuwtoeval krijgt. Nu ik zelf al enkele decennia het nieuws volg en de kranten lees, vat ik steeds beter welke pijn ze op die momenten voelt. Gelukkig kunnen Suske en Wiske haar dan helpen, met een warm voetbad en kalmerende woorden. Want zorg is geen eenrichtingsverkeer in dat nieuw samengestelde gezin.”

De rest kunt u lezen in het volgende nummer van Stripgids.

Francesco

S. Francesco predica agli uccelli", Codice miniato (sec. XIII),  Museo Civico Amedeo Lia, La Spezia
Franciscus preekt voor de vogels, verlucht handschrift (XIIIde eeuw), Museo Civico Amedeo Lia, La Spezia

Een paar jaar geleden kreeg ik het boek Sint-Franciscus van Assisi van Jacques Le Goff ter recensie voorgelegd. Door recente gebeurtenissen vroeg ik me plotseling af wat me uit deze studie was bijgebleven. Elke lezer kan zich de vraag stellen: wat neemt men eigenlijk mee van boeken die men met aandacht gelezen heeft? Ik telde op mijn vingers. Een uitspraak van Franciscus die zijn liefde voor Vrouw Armoede verklaart en zijn afkeer van het kapitalisme weergeeft: Fur esse nolo – ik wil geen dief zijn. Hoe Clara van huis wegliep om hem te volgen en hoe hij haar haren afknipte. Hoe “de andere vrouw in zijn leven”, Giacomina dei Settesoli, die hij broeder Giacomina noemde, amandeltaart voor hem bakte toen hij ziek was. Hoe een van zijn vroege biografen die episode van het preken voor de vogeltjes interpreteerde – niet lief en schattig, o nee.

“Matthew Paris, die hierin de Benedictijn Roger van Wendower volgt, laat op de terugweg van Rome, in het dal van Spoleto, een beroemde gebeurtenis uit het leven van Franciscus plaatsvinden: de prediking tot de vogels. Maar hij geeft hier een beduidend minder herderlijk beeld van dan na hem de officiële biografen van Franciscus zullen doen. De latere heilige zou, woedend vanwege de ontvangst door de Romeinen, vanwege hun ondeugden en schaamteloosheid, een aantal vogels naar zich toe hebben geroepen, en wel de meest agressieve exemplaren, met vervaarlijke snavels, roofvogels en raven, en zou in de plaats van die ellendige Romeinen deze dieren het juiste woord hebben onderwezen.” Knap, hoe Le Goff dan verder uitlegt dat dit een interpretatie was van “de extremistische franciscaner factie”. Maar prettig ook, om Franciscus eens gewoon woedend te zien.

Bladerend stuit ik op iets wat ik vergeten was, maar me opnieuw plezier doet. Waarom bleef Giovanni Bernardone bekend onder de naam Francesco? “De bijnaam die hij in zijn jeugd kreeg vanwege zijn voorliefde voor het Frans verving later zijn doopnaam. Al voordat hij gehoor gaf aan zijn roeping beheerste hij het Frans, daar dit de taal van de poëzie en de ridderlijke waarden bij uitstek was, en de rest van zijn leven bleef hij zich van deze taal bedienen wanneer hij uitdrukking gaf aan zijn diepste zieleroerselen. … Als hij Frans sprak, werd hij dronken van vreugde.” O, dus deze vreemde man uit de dertiende eeuw was een literatuurliefhebber met een voorkeur die ik deel?

J. Le Goff, Sint-Franciscus van Assisi, vertaald door J. Vermeulen, Amsterdam, 2001, p. 61; 47.

Naar de boomhut

small_1333317-f4db08b3cd9bb9e2626b7527d4ce128bEen dag in de Noorderkempen. Visuele buit: twee reusachtige hazen, een kievit, een reiger, twee Vlaamse gaaien, struiken vol vinken. De buizerd nergens te bespeuren. Kauwen als steeds rumoerend op het dak.
Hier ergens bevindt zich de fictieve boomhut, waar ik graag verblijf. Een fragment uit mijn column voor het nieuwe nummer van Rekto:verso.

Het werk vlotte niet, de muren schoven nader. Ik besloot mijn nederlaag voor vandaag te erkennen, mijn computer af te sluiten en naar Astrid te rijden. Het was niet druk op de weg en ik beleefde zoals altijd een bijzonder genoegen aan het moment waarop het Brabantse landschap echt verandert, van mollige heuvelachtigheid naar minimalistische vlakte, van rijke akkers naar dennen in geblokte formaties. In de zomer zag ik vaak zelfs het uitspansel veranderen: ik vertrok onder schapen, ik kwam aan onder stapelwolken. Nu was de lucht eentonig grijs.

Vele Europeanen hadden prachtige prozabladzijden gewijd aan Afrikaanse en Euraziatische woestijnen, geen enkel Euraziatische of Afrikaanse auteur had bij mijn weten ooit zijn liefde verklaard aan de subtiele bekoring van het Kempense landschap. Een van hen had ooit wel zijn liefde voor sneeuw en Groenland en de noordpool geboekstaafd; het boekje was een succes tijdens mijn studententijd, ik herinnerde me nog de welluidende naam van de schrijver: Tété-Michel Kpomassie. Uit Togo. Wel, vandaag zou hij zich hier ook thuis voelen, bedacht ik terwijl ik de auto langs het pad parkeerde, op de besneeuwde berm. Vreemd, die nooit eerder gevoelde behoefte aan de spontane waardering voor mijn liefste landschap, van iemand die ver weg geboren was. Wat een dialoog zou daaruit kunnen voortvloeien. De sneeuw in het bos was ongerept, slechts betreden door vogels, konijnen, hazen, vossen en reeën. En zelfs in een weinig dramatische omgeving als de Kempen kan sneeuw verraderlijk zijn, besefte ik toen ik wegzakte en mijn enkel omzwikte in een verborgen greppel. Maar het lichaam heeft vele veiligheidsprocedures, ik voelde de pijn en bracht mezelf op de een of andere manier bliksemsnel weer in evenwicht, voordat er echt iets knapte in een gewricht. Ik strompelde voort tot bij de boomhut en zag hoe Astrids sporen daar ook aankwamen, vanaf de andere kant van het bos. Het begon te schemeren, het licht van enkele stormlampen straalde uit de boomhut. Aan de dakranden glinsterden ijspegels. Ik floot ‘Blue Spanish Eyes’. Ze liet de touwladder afrollen.

De rest kunt u hier lezen.

Museum

Bloemen en vruchten in het koor van Sint-Paulus
Koor en orgel

Het was de moeite waard om me door een sneeuwstorm naar Antwerpen te spoeden. Deuren zwaaiden open en ik kon ongestoord rondwandelen in een van de mooiste musea van de stad: de Sint-Pauluskerk. Bezongen door Max Elskamp, beschreven door Maurice Gilliams. Een Rubens, een Van Dyck en een Jordaens in de opstelling van vierhonderd jaar geleden. Een paradijs voor beeldhouwwerk. Schitterende akoestiek (toen ik mijn neus snoot, leek dat mijlenver te horen.) Ooit een brandpunt van volksdevotie, met al die visuele nadruk op de rozenkrans: één madonnabeeldje zou in de achttiende eeuw zelfs een met bloed ondertekende verkoopakte – ziel aan duivel – hebben terugbezorgd aan de verkoopster, meende ik uit de opschriften te ontcijferen.

De zeven werken van de crisistijd
De zeven werken van de crisistijd
Prior Ophovius en de mooie Madonna, Hans Van Mildert
Prior Ophovius en de mooie Madonna, Hans Van Mildert

Is dit nu dood en nietszeggend erfgoed? Die gedachte wekt spijt bij me op.

Moeilijk te zeggen

Het was te voorspellen: ik houd van het slimme meisje Lisa Simpson (ook van Nelson, overigens). In een Simpsons-aflevering van een paar dagen geleden ging Lisa naar een lezing van Robert Pinsky, die onder algemeen enthousiasme een fragment van het gedicht ‘Impossible to Tell’ voordroeg. Daarom besloot ik deze dichter en zijn gedicht eens te googlen. En kijk, wat vindt men dan? Het blijkt een door en door Amerikaans gedicht te zijn over loyauteit en plotseling komt er een Belgenmop in voor. Uit een passage over grappen:

There’s one
A journalist told me. He heard it while a hero

Of the South African freedom movement was speaking
To elderly Jews. The speaker’s own right arm
Had been blown off by right-wing letter-bombers.

He told his listeners they had to cast their ballots
For the ANC—a group the old Jews feared
As “in with the Arabs.” But they started weeping

As the old one-armed fighter told them their country
Needed them to vote for what was right, their vote
Could make a country their children could return to

From London and Chicago. The moved old people
Applauded wildly, and the speaker’s friend
Whispered to the journalist, “It’s the Belgian Army

Joke come to life.” I wish I could tell it
To Elliot. In the Belgian Army, the feud
Between the Flemings and Walloons grew vicious,

So out of hand the army could barely function.
Finally one commander assembled his men
In one great room, to deal with things directly.

They stood before him at attention. “All Flemings,”
He ordered, “to the left wall.” Half the men
Clustered to the left. “Now all Walloons,” he ordered,

“Move to the right.” An equal number crowded
Against the right wall. Only one man remained
At attention in the middle: “What are you, soldier?”

Saluting, the man said, “Sir, I am a Belgian.”
“Why, that’s astonishing, Corporal—what’s your name?”
Saluting again, “Rabinowitz,” he answered:

A joke that seems at first to be a story
About the Jews. But as the renga describes
Religious meaning by moving in drifting petals

And brittle leaves that touch and die and suffer
The changing winds that riffle the gutter swirl,
So in the joke, just under the raucous music

Of Fleming, Jew, Walloon, a courtly allegiance
Moves to the dulcimer, gavotte and bow,
Over the banana tree the moon in autumn—

Allegiance to a state impossible to tell.

Lieve legenden

Antoon Van Dyck, Sint-Maarten, parochiekerk Zaventem
Antoon Van Dyck, Sint-Maarten, parochiekerk Zaventem

Het is goed wandelen door Brabant en Vlaanderen met het reisgidsje van de schilder G.P. Mensaert in de hand. Hij noteerde in 1763 enkele verhalen die in Antwerpen de ronde deden over Antoon Van Dyck. “De geschiedenis verhaalt, hoe de schilder halt hield in Zaventem, op twee mijl van Brussel, waar een jong meisje van grote schoonheid woonde, Anna van Ophem, die de honden van de Infante Isabella verzorgde. Hij werd dolverliefd en schilderde tijdens zijn verblijf in deze parochie twee schilderijen voor de plaatselijke kerk, te weten, dat van het hoofdaltaar, met een voorstelling van de Heilige Familie, waarin hij zijn geliefde portretteerde als de H. Maagd. Dit schilderij werd meegenomen door Franse verkenners, in de tijd van de oorlog in dit land; zij zouden er zelfs haverzakken van hebben gemaakt. Het andere schilderij, rechts van het koor, stelt Sint-Maarten te paard voor, terwijl hij een stuk van zijn mantel afsnijdt om aan de armen te geven. […] Rubens vernam dat zijn leerling zich in dit oord vermeide en liet hem zeggen dat als hij zijn reis nog langer uitstelde, hij hem zou komen leren hoe men zijn plicht moet doen. Daarom haastte hij zich voort naar Italië, toen deze twee schilderijen amper droog waren.”
Zoveel romantiek, de schilder die zijn liefde al schilderend laat blijken, het meisje met de honden van de aartshertogin! De hele idee van het bestaan van Anna van Ophem hebben kunsthistorici intussen terzijde geschoven, maar Van Dycks schitterende Sint-Maarten hangt gelukkig en wonderwel nog steeds in Zaventem.

G. P. Mensaert, Le peintre amateur et curieux, ou description générale des tableaux des plus habiles maîtres, qui font l’ ornement des églises, couvents, abbayes, prieurés et cabinets particuliers dans l’ étendue des Pays-Bas autrichiens, deel 1, Brussel, 1763, p. 195-196.

Staart

Romeinse ring met schorpioen, 2de eeuw n.C., geveild bij Christie's
Romeinse ring met schorpioen, 2de eeuw n.C., geveild bij Christie’s

En zo heeft de venijnige maand februari me in haar allerlaatste ogenblikken toch nog te pakken gekregen. Met een keel van schuurpapier naar lucht happen als een vis op het droge, geen pretje. Het lichaam lijkt plotseling wel heel erg op de stompzinnige, valse, altijd tegenwerkende slaaf die de neoplatonici, met name de Alexandrijnse filosofe en wiskundige Hypatia, erin zagen (of husselt mijn versufte brein nu ook al wijsgerige strekkingen door elkaar?). In elk geval, hangend in de sofa ontdek ik plotseling bizarre tv-series over vampieren. In Louisiana, waar men zo te zien ook struikelt over de feeën en weerwolven. Wel, wel.

Christie’s

A propos, een interessante link over Hypatia de historische figuur versus de Hollywoodversie, met verwijzing naar de onmisbare studie van Maria Dzielska.

Rubensfeest

Rubens op de Groenplaats (foto Edmond Fierlants, 1865: Consciencebibliotheek)
Rubens op de Groenplaats (foto Edmond Fierlants, 1865: Consciencebibliotheek)

Wannes Van de Velde schreef een prachtig lied over het standbeeld van Pieter Paul Rubens op de Groenplaats. In 1840, toen men besloten had om het standbeeld op te richten, ontstond er een conflict tussen het stadsbestuur en de Belgische regering over de plaats waar dat moest gebeuren. Bovendien liep de bronzen versie vertraging op en moest men zich tijdens de Rubensfeesten van augustus 1840 tevreden stellen met een gipsen replica, bronskleurig beschilderd, op het Burchtplein, aan de Schelde, buiten de stadsmuren. Uiteindelijk zou het tot 1843 duren vooraleer de 7000 kilo zware Rubens van massief brons zijn bestemming vond op de Groenplaats. Deze verwikkelingen gaven aanleiding tot heel wat satirische liederen. Zo is er De klacht van P. P. Rubens over het plaatsen van zijn beeld buiten de wallen van Antwerpen:

Hier stond voorheen het beeld eens reus
de plaag, de schrik van allen,
Daar hij noch heiden, Turk of Geus
was, stond hij uit haar wallen
Maar mij, een minnaar van ’t penseel
en Roomsch gelijk een Pater,
Waarom valt mij dees plaats ten deel
hier buiten stad aan ’t water?
Signoor ge zijt me zeker moe
en wenscht dat ik vertrekke
Wellicht voor u een reisje doe
om eilanden te ontdekken…
Daar sta ik nu met ’t hoofd ontbloot
in storm en wintervlagen,
de hand vooruit alsof ik brood
of aalmoes wilde vragen …

De blootshoofdse Rubens bleef de Antwerpenaren dwarszitten, want bij de inhuldiging van het bronzen beeld circuleerde reeds het Beklag over het zoogezegd beeld van Rubens:

Rubens van zijnen hoed beroofd
en gesierd met eenen degen!

Ik ken dien man niet, zegt van Dyck…

Wien verbeeldt die Spaansche held
dien men daar nu heeft verheven,
vraagt Jordaens…

Schande! ’t Edele palet
onder zijnen voet gestooten
en zijn hoed er bij gezet
om de kunst geheel te ontblooten. [….]

Gresham staat met bedekt hoofd
in ’t vermaard en konstrijk Londen
Rubens van zijnen hoed beroofd
heeft men den Signoors gezonden.

(Geciteerd in Floris Prims’ Antwerpiensia, 1927).

Brons, bot, bloed

Gevechtsscène, Iliasmanuscript, 5de eeuw (Milaan, Biblioteca Ambrosiana)
Gevechtsscène, Iliasmanuscript, 5de eeuw (Milaan, Biblioteca Ambrosiana)
Er wordt hevig gevochten in zangen 11 en 12 van de Ilias, brons stoot door schedels en gewrichten en slagaders, en stilaan begin ik Homeros te beschouwen als een van de beste beschrijvers van  de wreedheid en het delirium van de veldslag. Deze zangen wemelen van de onvergetelijke miniatuurtaferelen en doeltreffende metaforen. Een enkel voorbeeld, uit de vertaling door Patrick Lateur:

Zoals verdelgend vuur op een dicht woud
valt: wind vol wervelingen voert het vuur
naar overal, ontworteld vallen struiken
neer, door de vaart van vlammen aangevallen –
zo vielen door de vuisten van de zoon
van Atreus, Agamemnon, ook de hoofden
van vluchtende Trojanen, vele paarden
met sterke nekken lieten op de paden
van strijd en oorlog het geratel horen
van lege wagens, want zij misten toen
hun flinke menners. Dezen lagen neer
ter aarde en aan hen hadden de gieren
veel meer genoegen dan hun eigen vrouwen.

Homeros, Ilias, zang 11, 155-163.