Dit schriftje zet ik vaak op mijn werktafel, als een herinnering en aansporing. En omdat ik me de laatste tijd al schrijvend met de zeven hoofdzonden en deugden heb beziggehouden, weet ik nu dat Flaubert het helemaal bij het rechte eind had door volgehouden, gecultiveerde droefheid een zonde te noemen. Sinds de middeleeuwen noemt men deze zonde vaker Acedia, Traagheid, maar paus Gregorius de Grote, die als eerste een lijstje van zeven nefaste gemoedstoestanden opstelde, had het wel degelijk over Tristitia.
In het boeddhisme is aangehouden droefheid dan weer een demon. Dat leerde ik op een nacht door een ultrakorte biografie van de Boeddha te lezen. Ooit werd hij wreed gekweld door demonen, die hem voorhielden dat hij een ellendeling was, waardeloos, idioot, vul zelf maar aan. U kent ze misschien, die nachtelijke gedachten die nooit tot iets goeds leiden. Het mooie was dat Boeddha zich na een tijd begon te verzetten. Hij weerlegde de beledigingen van de demonen, hij snoerde hun waardig de mond. En ze dropen af. Het deed deugd om dat te lezen.
Het biografietje behoorde tot de reeks Libri di una sera, Boeken voor één avond, en ik kocht het in het station van Rome. Een gedachte die heimwee opwekt, wat al een stuk beter is dan droefheid.











