Geen filmfragment herinnert me zo aan mijn eigen kindertijd als het bovenstaande, uit Cria Cuervos van Carlos Saura. Sous-pull, Schots rokje, pick-up met single. Kindactrice Ana Torrent groeide op tot een jolie laide, wat ik een mooi vrouwentraject vind. Het fragment stemt me melancholiek, de film opnieuw bekijken zou tot een roman kunnen leiden, dus laat ik het voorlopig maar zo.
Over de geschiedenis van kinderkleding door de eeuwen heen: Les petites mains.
Op 6 juli 1899 werd Martial Van Schelle geboren in Merksplas, misschien in de kamer waar ik vanochtend ontwaakte. Tijdens het interbellum bouwde hij een indrukwekkende loopbaan uit als topzwemmer, maar ook als zakenman. Dit is een van mijn lievelingsfoto’s: als secondant van Philippe Quersin (zelf weer een leerling van Ernest Demuyter) nam hij deel aan de Gordon-Bennetwedstrijd voor ballonvaarders, die in september 1934 vertrok in Warschau. Quersin draagt het monocle, Van Schelle drukt de hand van iemand die geluk wenst.
De sportheld en flierefluiter is slechts vierenveertig geworden: hij werd vermoord in Breendonk in maart 1943. De aalmoezenier die hem en zijn lotgenoten bijstond getuigde na de oorlog dat zijn laatste woorden gericht waren tot het executiepeloton: ‘Tirez encore, parce que je ne suis pas atteint.’ De zenuwachtige en dronken soldaten hadden met hun eerste schot slechts zijn arm verbrijzeld. Als je toch moet gefusilleerd worden, dan beter door een broodnuchtere scherpschutter dan door een zatte broddelaar.
Vandaag denk ik liever aan alles wat voordien was bereikt.
Vandaag wens ik een gelukkige verjaardag aan het linkse meisje. Een verjaardag met bloeiende daglelies en klaprozen, de traditionele frikadellen met krieken, aardbeientaart met slagroom en vertrouwd en dierbaar gezelschap.
De oude Romeinse dichter Ennius heb ik leren kennen dankzij Nicolaas Rockox. De burgemeester en zijn vrienden vormden een club van literaire fijnproevers, waar men Ennius citeerde alsof het niets was. Zulke burgemeesters maken ze niet meer.Tiens, dacht ik, een naam die we nooit in de Latijnse les zijn tegengekomen. Zijn werk is maar in stukken en brokken bewaard, niet de schuld van de middeleeuwse monniken in hun scriptoria maar van de oudheid zelf. Vincent Hunink heeft een Nederlandse vertaling gemaakt, in een toegankelijke uitgave. Ik lees en geniet. Hier en daar een handvol verzen. Een glimp, een schittering. Ennius kwam uit Zuid-Italië en groeide drietalig op: zijn moedertaal was Oscisch, daarbij voegden zich Grieks en het Latijn van Rome. Hij moet een talengenie zijn geweest, want hij, de buitenstaander, maakte Latijn tot een bloeiende cultuurtaal, gevat in de statige Griekse hexameter. Meer dan de klassieke auteurs die we op school lazen beleefde hij plezier aan zijn talenknobbel: ik zie woordspel, alliteratie, een soort zonnige uitbundigheid. Die rare archaïsche vormen ogen in zijn verzen op de een of andere manier vertrouwd, ‘romaans’, als een meer instinctieve vorm van Latijn. ‘transnavit cita per teneras caliginis auras’ – ‘doorzwom gezwind de dunne vlagen van het donker’ – kijk, dat vind ik een stralende regel. Je ziet de zwarte wolkenflarden voor je. ‘hastati spargunt hastas; fit ferreus imber’ – ‘gespeerden strooien speren; ijzer regent neer’. Ergens heeft Ennius zichzelf ‘het oude renpaard’ genoemd. Hij was een volbloed, zoveel is zeker. En hij wist paarden prachtig te beschrijven, alweer in vurige glimpen. Fragmenten van het hoogste literaire niveau, vaak maar een zinnetje lang: dat noem ik nog eens ideale vakantieliteratuur.
Quintus Ennius, Annalen, bezorgd en vertaald door Vincent Hunink, (Bibliotheca Latina Archaica, 2), Uitgeverij Voltaire, ’s Hertogenbosch, 2006.
Ernest Demuyter (1893-1963) was een van de grootste ballonvaarders van België. Met zijn Belgica won hij zes maal de internationale Gordon-Bennett Wedstrijd – waarvan drie maal op rij, in 1922, 1923 en 1924, zodat hij de zware zilveren trofee mocht houden. De coupe prijkt nu in het Belgisch Legermuseum. Hij schreef ook enkele mooie boeken over zijn leven als piloot en ballonvaarder; ik gebruikte ze om me te documenteren voor het hoofdstuk over Martial Van Schelles proefvlucht in Almanak. In Belgica beschreef hij zijn ervaringen tijdens zijn allereerste tocht met een ballon – ma première ascension – in 1908. Hij was toen vijftien.
Voyageant à basse altitude, nous aperçevons nettement le paysage. Qu’elle est belle cette carte vivante qui déroule son tapis sous nos pieds! Nous survolons quelques petits villages, nous coupons des routes, des chemins de terre, un petit cours d’eau. Comme il serait agréable d’ étudier la géographie de cette manière!
In het voorwoord noemt Alex Pasquier hem “een personage van Jules Verne” – mooi toch, voor een landgenoot.
Francesca Buschini aan Giacomo Casanova, woensdag 5 mei 1784:
Ik vermoed dat u me voor de gek houdt met uw verhaal dat u in een luchtballon wilt stappen en dat u, als de wind gunstig is, naar Triëst gaat en daarna naar Venetië zult komen. Maar als u zo gek bent om in een luchtballon naar Venetië te komen, dan weet ik zeker dat de wind u niet naar Venetië maar naar Pluto zal voeren en dan zult u inderdaad behoefte hebben aan een De Profundis. Ik smeek u zo ’n bezoek zo lang mogelijk uit te stellen. Ik heb twintig dagen geleden een luchtballon gezien die signor Spinola en Paolo Avanzati en andere edellieden hebben laten bouwen en die veel geld heeft gekost. Ook ik heb hem in de lucht zien hangen toen ik op ons dakterras stond, het leek een grote appel en ik moest vreselijk lachen bij het idee dat u daarin zou willen stappen. Men zegt dat hij midden in een vallei vlakbij Burano is neergekomen! In die vallei was een boer aan het ploegen en toen hij de ballon steeds verder zag afdalen, wierp hij zich op zijn knieën en riep luid: ‘Nu is het moment gekomen dat mijn leven ten einde loopt, want dit is onmiskenbaar een straf van God!’ De arme boer, die niets van deze luchtballon afwist, ging meer dood dan levend van de schrik naar huis. Hij was pas getroost toen hij de ballon naar Venetië bracht en terugkeerde met een gift van twintig zecchinen. Dit was het ongeluk dat de boer overkwam! Men zegt dat er een kat en een hond in zaten en dat die dood zijn aangetroffen! Ik smeek u daarom niet zo dom te zijn om in een ballon te stappen!
Uit: Brieven van vrouwen aan Casanova, vertaald en bezorgd door E. Naaijkens, Rotterdam, 2001, p. 110-111.
Mijn even gulle als impulsieve vader trakteerde op een ballonvaart, om Martial Van Schelle te eren, nu diens verjaardag (6 juli) nadert. Misschien is het de meest filosofische manier van vliegen, met een luchtballon. Zo kalm, zo rustig. In de Impuls zweefden we over ons geliefde Bootjesven (met het eilandje) en Puitenven, rakelings langs de grens met Nederland. Het uitgespaarde vakje in het groen, rechts van het midden onderaan, is het landloperskerkhof.
Luchtballon Van Schelle, in een Gordon-Bennettwedstrijd
“Daarna voelden ze de ballon krachtig en sereen naar een hogere luchtlaag rijzen. Hoe vaak ik dit ook zal meemaken, dacht Van Schelle, ik zal het nooit moe worden, het blijft even betoverend als de eerste keer. ”
Straks zal ik voor de eerste keer deze ervaring van mijn romanpersonage Martial Van Schelle delen.
In 1605 ontdekte de universele geleerde Nicolas-Claude Fabri de Peiresc een bloeiende myrtestruik in een bos in de Provence. Het voorval wordt charmant beschreven door zijn biograaf Pierre Gassendi en het had ook gevolgen voor de stadstuin van Nicolaas Rockox in Antwerpen.
Myrte
Het was plezierig om op de regenachtige Sint-Jansdag een lezing te wijden aan de invloed van het humanisme in de tuin van Rockox, maar nu verlang ik wel naar dagen waarin het nodig zal zijn om de huid tegen de zon te beschermen met een hupse chapeau de paille.
Strohoed en roos, uit het album amicorum van Nicolaas Rockox (Museum Rubenshuis)
“De volgende dag zit ik op een stoel bij het open raam van de werkkamer. Ik heb het linnen kapje opgezet dat ik zelf gemaakt heb en mijn haar hangt los over mijn schouders. Meester Rockox heeft mij alleen gelaten met Antoon Van Dyck. Een achtjarige jongen vormt blijkbaar nog geen gevaar voor een onbesuisd maartje.
Antoon zegt geen woord en bekijkt me alsof ik een stenen borstbeeld ben of een bloem in een vaas.
‘Klaar,’ zegt hij na een tijdje.
‘Mag ik kijken, jongeheer?’
De jongen knikt. Ik sta op en kijk over zijn schouder naar de tekening in roodbruin krijt.
‘Zo mooi ben ik niet, jongeheer!’
Antoon bekijkt me zonder te glimlachen. ‘Je bent mooier,’ zegt hij. ‘Ik kan je nog niet zo goed tekenen. Heer Rockox gaat op zoek naar een leermeester voor mij.'”
Malou van de mussen – een roman over een meisje in het Rockoxhuis, met Nicolaas Rockox, zijn vrouw Adriana, Catharina en Anna Trouweels als personages? Heerlijk om te lezen en een bijzondere ervaring voor mij, die zoveel details uit het leven van de burgemeester mocht herkennen – de schat van Mespelare, de flamboyante en veeleisende Nicolas-Claude Fabri de Peiresc, de schilderijen, de boeken, de oranjebloesem in de tuin, allen en alles gezien door de ogen van een slim en moedig meisje. En daar zijn er nooit teveel van.