Hilda

Hilda's kamer
Hilda’s kamer

Zoals de meeste goede boeken (Winnie The Pooh, The Wind in the Willows, The Little White Horse) beginnen Hilda’s avonturen met een landkaart van haar omgeving. De oude brug, de ruïnes, het blauwe sparrenbos, de wildernis: ziedaar het soort aanduidingen dat ik graag op een kaart zie staan. In dat eerste album is ook een grote tekening van Hilda’s bureautje opgenomen. Ik betrap me er op dat ik daar gemakkelijk tien minuten glimlachend naar kan zitten kijken. Haar werktafel met een lamp, bekers vol potloden, een boek om dingen in op te zoeken, vellen met schetsen, een bord met een koekje en wat kruimels, planken met nog meer boeken, een wandrek met bordspellen, wonderlijke keien, een pop, een radio. Er is niet veel nodig om gelukkig te zijn en avonturen te beleven. Haar baretje hangt over de leuning van haar stoel, haar trui ligt op de grond, haar hertvos Takkie (een jonge vos met een gewei) ligt onder haar bureau te soezen.

Hilda, mijn nieuwe heldin voor Stripgids. Lees de rest in het nieuwe nummer van dit prachtblad.

Hilda en Takkie op avontuur
Hilda en Takkie op avontuur

Bootje

Antonello da Messina, St Hieronymus in de woestijn, privé-collectie.
Antonello da Messina, St Hieronymus in de woestijn, privé-collectie.

Bootje glijdt voorbij. In een landschap. Op een schilderijtje van 14 op 19 cm. Gemaakt door Antonello da Messina. Rond 1460. Dat is de optische oogst van vandaag.

Beelden

Philostratus51nqMNjBmZL._SX327_BO1,204,203,200_

Archeoloog gemarteld, onthoofd en opgehangen in Palmyra. Deze Belgische kunsthistorica weet genoeg.
Ik sla een boek open uit de derde eeuw na Christus en lees: “Wie schilderkunst minacht, is onrechtvaardig tegenover de waarheid; en hij is ook onrechtvaardig tegenover al de wijsheid die aan dichters is geschonken – want dichters en schilders leveren een gelijke bijdrage aan onze kennis van de daden en het uiterlijk van helden.”
En ik voel me dankbaar om die oude woorden.

Philostratus, Imagines, Book I, p. 3.

Middelheim in zachte regen

We betraden het terrein en hoorden een engelenstem: Cécile McLorin Salvant. Ze klonk als Ella Fitzgerald en als zichzelf en ze bracht in haar set een enkel Frans chanson, van Barbara, dat me deed verlangen naar meer. Aangezien er weinig is waarin ik meer geloof dan dat men kunstenaars moet steunen, kocht ik meteen een CD van haar, Woman Child. Hierop vertolkt ze ook een Frans gedicht  Le front caché sur tes genoux… Volg die vrouw!

Maar we dwaalden over het natte gazon voor een van de slechts twee dokters op deze wereld die me gelukkig maken: Dr. John (de andere is Hook). Eigenlijk kon ik maar amper geloven dat de voodoomeester zich op hetzelfde adres bevond als ik. Hij begaf zich fragiel naar zijn diepblauwe vleugelpiano en deed bepaald geen moeite om het publiek op te vrijen, wat ik waardeerde. Zijn fraaie solo’s gingen onopgemerkt voorbij, het publiek beloonde alleen de blazers (met uitstekende Belgische inbreng). Maar The last of the best liet de zon in het water schijnen, gromde even meeslepende als laconieke bindteksten en voerde de zaal doeltreffend naar een apotheose – ingeleid door Cécile McLorin, die When the saints met hem zong. Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart, inderdaad.

En ja, er was een bonus. Dr. John speelde muziek van Louis Armstrong, dus ik had niet durven te hopen dat ik een van mijn lievelingsliederen uit zijn eigen repertoire zou horen. Hij bracht het toch. Such a night!  Hij moet wel gedacht hebben: de dames houden ervan, dus hey, waarom niet.  Geluk is per slot van rekening helemaal niet zo moeilijk.

Schoonheid

Pieter Bruegel, Val van de opstandige engelen, 1562, Brussel, KMSK.
Pieter Bruegel, Val van de opstandige engelen (detail), 1562, Brussel, KMSK.

Hij schilderde niet zo vaak de schoonheid van de schepselen, Pieter Bruegel. Een enkele mooie vrouw in een rode jurk, in De Spreekwoorden. En deze engelen. Sint-Michael, patroonheilige van Brussel, met zijn hemelsblauwe mantel betoverend, haast ontroerend achter hem aan wapperend. En die andere engel, in profil perdu, sierlijk het zwaard heffend tegen een kogelvis en Beëlzebub, Heer der Vliegen. Bemerk ook hoe deze engel zijn blote voet neerzet op een kaaimanachtig monster, en hoe de aanblik van dat contact een soort huivering opwekt. In De val der opstandige engelen, dat u week in week uit gewoon kunt gaan bekijken in het Koninklijk Museum van Brussel.

Prachtige analyse van alle details in: T.L. Meganck, Pieter Bruegel the Elder. The Fall of the Rebel Angels. Art, Knowledge and Politics on the Eve of the Dutch Revolt, Milaan-Brussel, 2014.

Vijf olmen in het park

Paul Hymans
Paul Hymans

Ik trek een boek uit de kast. Paul Hymans, Fragments d’histoire, 1940. Met een foto van de kwieke auteur, en een opdracht. Naast verschillende hoofdstukken over de Belgische politiek in de negentiende eeuw en tijdens de Eerste Wereldoorlog vind ik grappige beschouwingen over de eerste regent van België, meneer Surlet de Chokier, fokker van merinosschapen in Gingelom. En tot slot een bijzonder mooi klein sfeerbeeld uit juni 1923, met in de hoofdrol vijf eeuwenoude olmen in het Warandepark in Brussel, die stierven na een te droge zomer. Paul Hymans woonde in de buurt en mijmerde over de genius loci.

“Pas in 1849 omsloot men het tot dan toe met een landelijke haag omzoomde park met een ijzeren gordel. En men rookte er niet, vroeger, uit hoffelijkheid om de dames niet te storen, en uit hygiëne om de zuivere lucht, bestemd voor ouderlingen, kinderen en herstellenden, niet te bederven… Het vergde een lang debat om het park open te stellen voor rokers. Een gemeenteraadslid, liefhebber van sigaren, stelde beschroomd voor om het roken er toe te laten vanaf elf uur ’s morgens. Het verzet was hevig. Maar de radicaalste oplossingen triomfeerden uiteindelijk, dankzij burgemeester Charles de Brouckère, die in een antwoord aan een verdediger van de antieke gebruiken uitriep: “Roken is niet langer een gebrek aan hoffelijkheid, door hun hoepelrokken zijn de dames steeds zo ver van ons verwijderd dat de geur van tabak hen niet meer kan hinderen!”

 

Meisjes spelen

bruegelpop

Ze zitten zoet binnen te spelen met hun poppen, deze meisjes van Pieter Bruegel. Ze hebben ook een poppenwiegje. Niet het opvallendste detail van zijn beroemde schilderij, voor mij wel onvergetelijk. Net als de kinderen in het schilderij bikkelden we, speelden we verstoppertje, winkeltje, Antoinette wie heeft de bal, vlooienspel, bliezen we bellen, zwommen we en schommelden we en liepen we op stelten. In tegenstelling tot zestiende-eeuwse kinderen hadden we rolschaatsen, springtouwen, trottinettes en minifietsen. Maar we deden ook dit.Waarom? Daarom.

 

BRU_-_CHD_72

Nationale feestdag

graf_van_schelle

De nationale feestdag vierde ik voor het eerst in Brussel toen Filip koning der Belgen werd. Dit jaar leek de gelegenheid ideaal om bloemen neer te leggen op het graf van Martial Van Schelle, in maart 1943 als politieke gevangene vermoord in het concentratiekamp Breendonk. Het was stil op de begraafplaats Tir National, achter de gebouwen van de publieke omroep. Geen vlag, geen andere bezoekers, zelfs geen hovenier, alleen een vrouw die haar hond uitliet. Het rook er wel naar de rozen die nobele onbekenden op het merendeel van de graven hebben aangeplant. En wat denk je dan, bij het graf van iemand die je nooit persoonlijk hebt gekend en die je toch heeft beïnvloed? Ik stelde vast dat ik Martial Van Schelle bedankte: voor de verhalen, de zwier, de avonturen en het geluk dat hij met zijn geboortehuis in mijn leven brengt.

Van Schelle (l.) en Quersin, Warschau, 1934
Van Schelle (l.) en Quersin, Warschau, 1934

Tovenaar

P1020490Chateaubriand

Een vriendin stuurde me een foto uit Saint-Malo, en maakte een mooie dag nog mooier.

“Ik was de laatste van tien kinderen. Waarschijnlijk dankten mijn vier zussen hun bestaan aan mijn vaders wens om zijn naam voort te zetten door de komst van een tweede zoon; ik was weerspannig, ik had een afkeer van het leven. … Mijn ouderlijk huis lag in een donkere, smalle straat van Saint-Malo, Jodenstraat genaamd: het huis is heden ten dage een herberg. De kamer waar mijn moeder beviel ligt boven een verlaten gedeelte van de stadsmuren, en door de vensters van die kamer ziet men de zee die zich voorbij de horizon uitstrekt en breekt op de klippen.”