
Een nostalgisch document, van het lagere schooltje waar ik zestig jaar later leerde lezen en schrijven. (Klik op de afbeelding voor een groter formaat.)
De kat van de rabbijn

“Het is fijn om een vrouw te zijn in Europa. Vrouw zijn in de wereld van Joann Sfar lijkt me soms nog prettiger. Of het nu gaat om Donjon of om ander werk, steeds lijkt hij bereid om zijn vrouwelijke personages nagenoeg alles te vergeven en hen te voorzien van bedwelmende charme. Niet dat ze er allemaal bijlopen als Rita Hayworth of Grace Kelly, hij ontwaart die bedwelmende charme ook in elk eenvoudig meisje-van-de-buren. Hij wekt de indruk dat hij dankbaar is voor het bestaan van vrouwen en daarvoor ben ik hem dankbaar. Een vrouw die zijn albums leest, kan uitrusten van verpletterende plichtsbetrachting en van verstikkend schuldgevoel. Die zijn niet nodig, leer ik uit zijn boeken, want wat een vrouw beslist, dat beslist ze toch gewoon? En anders beslist ze gewoon niet. God, wat een verademing.”
Ik las De kat van de rabbijn. De rest van mijn bedenkingen vindt u in het volgende nummer van Stripgids. En in het daarna volgende nummer: Persepolis.
Naam
Rest

Wat overbleef van de zwerm, die begin juni in de tuin neerstreek.
Indien ge een hollen korf van ene schors wilt naaien,
Of tene korven vlecht, de deur zij enge, want
de honing stremt van koude, of smilt van hitte en brand.
De honingbij, die last van hitte en koû moet lijden,
Kleeft hierom d’enge spleet, en stopt aan alle zijden
de naden van haar huis, ook niet vergeefs, met was
en bloemen vlijtig toe, en veldgroen lentegras…
Vondel, Vertaling van Vergilius’ Landgedichten, IV.
Stukje proza
Omdat het goed is om ’s morgens al de slappe lach te krijgen.
Uit een roman van een zekere Sylvia Day, getiteld Bared to You.
“He sank into an elegant crouch directly in front of me. Hit with all that exquisite masculinity at eye level, I could only stare. Stunned. Then something shifted in the air between us.
As he stared back, he altered . . . as if a shield slid away from his eyes, revealing a scorching force of will that sucked the air from my lungs. The intense magnetism he exuded grew in strength, becoming a near-tangible impression of vibrant and unrelenting power.”
Zie ook het briljant geestige Today Is My Birthday!, met handige extra tips voor het schrijven van erotische bestsellers.
Ovaal
Chaldeeuws

Wat is toch dat Chaldeeuws waarover humanisten als Rabelais het zo vaak hadden? Geen dode letter, zo blijkt, maar een nogal actueel gegeven: Iraakse christenen zijn vaak Chaldeeën. Vorige week hoorde ik dat ze verdreven of afgeperst werden in Mosul, of gedwongen werden zich te bekeren tot de islam. Het had me wel geboeid daarover iets in mijn ochtendkrant te lezen, maar ik speur al de hele week vergeefs de bladzijden af. Andere horror genoeg, natuurlijk. Er is de schoonheid van de zomer en de bloeddorst van de zomer, twee kanten van dezelfde medaille.
Duchtig gepolijst

Een brief uit 1532, van de reus Gargantua aan zijn zoon Pantagruel, student in Parijs.
“Thans zijn alle vakken van wetenschap in hun oude staat hersteld, hebben de talen haar plaats gekregen: het Grieks, zonder hetwelk het een schande zou wezen, zich geleerde te noemen; het Hebreeuws, het Chaldeeuws, het Latijn; de gedrukte boeken, zo sierlijk en nauwkeurig, waarvan men zich bedient en die in mijn tijd door goddelijke inspiratie zijn uitgevonden, evenals, bij wijze van tegenproef, de artillerie, door duivelse inblazing. De wereld is vol geleerde lieden, zeer knappe leermeesters en zeer ruime boekerijen, en naar het mij voorkomt, was er noch in de tijd van Plato, noch in de tijd van Papinianus, ter studie zoveel gerief als men tegenwoordig aantreft; en nimmer zal men voortaan elders behoeven te vertoeven, dan in gezelschap van lieden die in Minerva’s werkplaats duchtig gepolijst zijn. Ik zie de rovers, beulen, avonturiers, palfreniers van tegenwoordig beter onderlegd dan de doctoren en predikanten uit mijn tijd. Wat zal ik zeggen? De vrouwen en jonge meisjes zelfs dongen naar deze glorie en hemels manna der ware kennis.”
En nu intussen een nog veel groter deel van de bevolking duchtig gepolijst is in Minerva’s werkplaats, wat doen ze, wat doen we met al die kennis?
François Rabelais, Gargantua en Pantagruel, vertaald door J.A. Sandfort, Amsterdam, 1980.
Naamdag
Verjaardag
Toevallig vertaalde ik vandaag een stukje Proust voor een werk in opdracht; een paar uur later hoorde ik dat dit Prousts verjaardag is.
“Misschien wanneer Mme de Guermantes was thuisgekomen en ik haar ging bezoeken vóór het diner, zou ze erin toestemmen om me naar haar tuin te brengen. Sinds zij mijn belangstelling had opgewekt voor de bevruchting van bloemen had ik de boeken van Darwin gelezen, ik had een professor botanica in het museum gevraagd om staaltjes van diverse soorten pollen; ik hoopte echt niet om de soort te kunnen herkennen die de tripsen, de bijen, de hommels en de vlinders bij zich droegen en om te weten of het deze soort was die de bloem waarop ze neerstreken kon bevruchten. Maar ik wist dat het pollen vaak overvloediger is bij planten die het laten vervoeren door fysische elementen zoals de wind, want dan loopt een grote hoeveelheid korrels het risico verloren te gaan, of die het uitstoten door een mechanische stuwing. Om de waarheid te zeggen dorstte ik er op die warme dag naar, niet de bloemen, niet de hemel met zijn wolken te zien, maar die andere gekleurde wolken die bijna over de grond reizen van bloemen naar bloemen; gelijkend op de prismatische waterbundels die irrigatiebuizen uitstoten om tuinen te verfrissen; misschien kon ik in de tuin van Mme de Guermantes ware vuurpijlen van pollen zien, afgevuurd door anemofiele bloemen; de zwavelregen die de bloemen van de pijnboom overvloedig, fijn en dicht laten neerdruppelen, de gouden wolken die reizen tussen Spaanse bremstruiken, die gehele wereld die even onbekend voor me was, bijna even onzichtbaar voor mijn ogen die hen nooit hadden opgemerkt, als de elektrische golven die ons omgeven; ik had zo graag gewild dat Elstir, met zijn subtiele en onthullende blik die erin geslaagd was de schemering te doorboren en de nevel vast te leggen, ze had vereeuwigd om mij te leren ze te herkennen, dit nog onbekende terrein van de schilderkunst, deze zwervende en gekleurde sluiers, de onderbroken, verwachte buien, ogenblikkelijk en gewild als een krachtdadig gebaar, noodlottig en vruchtbaar als de gouden regen van Semele.
In afwachting van de thuiskomst van Mme de Guermantes en nadat ik me ervan had vergewist dat het onmogelijk was om in haar tuin te kijken zonder haar te bezoeken, – wat ik in haar afwezigheid niet kon doen – bemerkte ik dat de orchidee in de open lucht was neergezet op de vensterbank van haar antichambre die uitgaf op de binnenplaats; en ik besloot, meer bekommerd om mijn nieuwsgierigheid te bevredigen dan de geplogenheden in acht te nemen, om me te verstoppen achter de luiken van het raam van de grote trap, waar ik helaas van ver met kloppend hart kon bespieden of er insecten naar de binnenplaats kwamen, onwaarschijnlijk genoeg en overigens zonder dat ik kon onderscheiden of herkennen wat ze van zo ver met zich meebrachten, met zo weinig kans: het enige pollen zonder hetwelk de struik en de plant maagdelijk zouden blijven.”
Ervaren lezers weten het. Dit is niet zomaar een stukje botanica, dit is de aanleiding tot een cruciale scène in het boek: in plaats van de lang verwachte hommel die de bokkenorchis komt bevruchten, ziet de hoofdpersoon twee andere personages elkaar naderen op de binnenkoer – en een verborgen wereld opent zich: Sodom en Gomorra.
Marcel Proust, A la recherche du temps perdu, Pléiade-editie, deel III, Notes et variantes, p. 1267-1268



