Idiote schilderingen

Rimbaud in Harar, Ethiopië, 1883
Rimbaud in Harar, Ethiopië, 1883

“Ik hield van idiote schilderingen, boven deuren, decors, doeken van foorkramers, uithangborden, volkse verluchtingen; ouderwetse literatuur, kerklatijn, erotische boeken met spelfouten, romans van onze voormoeders, sprookjes, kinderboekjes, oude opera’s, onnozele refreinen, naïeve ritmes.”
Ik had niet verwacht een beschouwing over schilderkunst aan te treffen in Une saison en enfer, toch vind ik er een. Misschien niet helemaal het juiste boek voor onbezorgd lezen op een julimiddag; meer een intens wringend, kaakklemmend mystiek geschrift. Erg negentiende-eeuws wel: dat verlangen naar het oosten, naar Zanzibar, naar Afrika, teisterde dat niet elke jongen tussen 1850 en 1900? De verbluffende Rimbaud trok naar Afrika, mijn veel minder ondoorgrondelijke overgrootvader, zestien jaar jonger, evenzeer.

Lezend over Rimbaud kan ik me hem heel goed als landloper voorstellen. “De twee volgende jaren, 1877 en 1878, zijn de meest mysterieuze in Rimbauds leven. Hij had werk gezocht in Amerika, zonder succes. Hij reisde naar Kopenhagen en Stockholm, waar hij tickets verkocht voor een Frans circus. Daarna trok hij naar Marseille, waar hij aan boord ging van een schip naar Alexandrië; maar hij moest aan land gezet worden in Italië, omdat hij ten prooi viel aan een ingewandenkoorts. De Italiaanse dokter zei dat zijn ribben, ten gevolge van zijn uitputtende wandeltochten, zijn buikwand hadden doorboord – hoe bizar dit ook klinkt, het is best mogelijk, aangezien Rimbaud niet een-, maar tweemaal van de Ardennen door de Alpen naar Italië was gestapt.” En te voet de Gotthardpas overstak, als een middeleeuwse pelgrim.

Semelles de vent, zolen van wind. Niet te geloven dat de dichter die deze woorden schreef uiteindelijk een been, een zool van wind moest verliezen. “La mort le recueillera après des souffrances physiques aussi incroyables que les illuminations de son adolescence,” schreef René Char in het voorwoord bij Rimbauds gedichten in mijn Gallimardpocket, ongeveer de enige zin die ik van zijn inleiding begrijp.

E. White, Rimbaud. The Double Life of A Rebel, Londen, 2008, p. 153.

Reviens, reviens, cher ami

RimbaudV

“Er worden regelmatig pogingen ondernomen om het dossier Rimbaud/Verlaine uit de afdeling Manuscripten van de Koninklijke Bibliotheek weg te halen,” hoorde ik. “Nochtans is het in 1924 uitdrukkelijk bij deze afdeling in bewaring gegeven door het Ministerie van Justitie.”
Wellicht spoorde die zin me aan om afgelopen week eindelijk eens een biografie van Rimbaud te kopen. Het werd Edmund White’s Rimbaud: The Double Life of a Rebel, uit 2008. White schrijft helder en beknopt; zijn kurkdroge toon brengt me dikwijls aan het lachen. “In de veertien maanden van zijn huwelijk had Verlaine geen nieuwe gedichten meer geschreven, maar wel zijn drankverslaving onder controle gekregen. Nu moedigde Rimbaud hem aan om als een wilde te leven en zat te blijven – en te schrijven als de ziener die hij was voorbestemd te zijn.”

Al lezend herinnerde ik me plotseling dat ik al een boek over dit dossier bezat: het fraai geïllustreerde Reviens, reviens, cher ami. Rimbaud-Verlaine. L’affaire de Bruxelles van B. Bousmanne, een uitgave van de Koninklijke Bibliotheek zelf. Terwijl ik erin zoek naar de documenten en portretten die White vermeldt, treft me plotseling het enorme verschil tussen Frans en Engels. Hoeveel plechtiger, dramatischer, soms cynischer en goorder klinkt de hele correspondentie tussen de dichters in de moedertaal van de heren. Dezelfde woorden in het Engels lezen, dat lijkt alsof je een venster openzet, op een hete zolderkamer.

Kruid

POldermuseum, Fort Lillo
Poldermuseum, Fort Lillo

Hoe liedregels in je hoofd kunnen blijven hangen. Tijdens een bezoek aan het Poldermuseum in Fort Lillo las ik de tekst van een Ganzenrijderslied. Met de opwekkende verzen:

Het kruid der kniezerij
Groeit niet in Stabroeks hoven.

Jammer dat ik ze niet heb horen zingen.

Liefdesbrieven, nogmaals

Koning Leopold I en zijn gezin
Koning Leopold I en zijn gezin

Op 19 oktober 1865 schreef mijn betovergrootvader, Leopold H., in ’s Gravenbrakel aan zijn verloofde:
“Verleden zondag ben ik naar Brussel gegaan om de inhuldiging van de nieuwe koning Leopold II te zien, een schitterend en onvergetelijk feest. Nooit heeft Brussel binnen haar wallen een zo grote menigte gezien noch zoveel hoogwaardigheidsbekleders; de kranten zullen je reeds alle details hebben meegedeeld van dat grote bewegende schilderij, en van de algemene vreugde.”
Het geeft me al bij al een prettig gevoel van continuïteit om een ervaring met een voorzaat te delen.

Daar domheit zuizebolt

Copy(1) of om.Claes2_300

Een gedicht lezen: mooi. Een goede verklaring van het gedicht lezen: prettig. Dankzij de bloemlezer een nieuwe dichter leren kennen die de taal in haar voegen laat kraken: onverwacht genoegen. Zo ontdek ik Willem van Swaanenburgs Auroora’s kimmen ontslooten (1724).

Het Diamant-paleis ontgrendelt van zyn slooten
Zet zyne deur wyt op voor ’t al doordringend ligt,
dat al, waar ’t straalt, zig zelfs een gulden zetel stigt,
Om ’t duister Reuzendom ten afgrond in te stooten.

’t Wordt tyd voor Pallas, om een Krygsgevegt te waagen,
En als een Amazoon te rukken voor den wal,
Daar domheit zuizebolt voor ’t ongemeen geschal,
Dat vrouw Minerva maakt, om ’t wanstal weg te jaagen.

Suizebollen is mijn nieuwe favoriete Nederlandse woord. Wilt u meer weten over Van Swaanenburg, Góngora, Rimbaud, Van de Woestyne en Claus, lees dan Paul Claes’ Zwarte zon: Code van de hermetische poëzie. Een balsem, voor wie net als ik denkt dat schrijvers niet uitsluitend moeten uitleggen, paaien en preken, maar ook vernuftig mogen verhullen.

Moeder

Rubens, kinderportret, Albertina, Wenen
Rubens, kinderportret, Albertina, Wenen

29 Juni: de dag waarop Pieter Paul Rubens, net geboren, zijn voornamen ontving, naar de apostelen die vandaag de kalender sieren. Hieronder leest u het begin van een verhaal dat ik schreef over Rubens’ moeder, de onversaagde Maria Pypelinckx.

Stof was ik, en tot stof ben ik weergekeerd. Meer bepaald, beste voetganger, het stof onder de stoeptegel waarop jij dadelijk je rechtervoet zal plaatsen. Van op de nok van heer Ortelius’ dak kijk ik op je neer. Op jou, en op het geglinster van de Schelde. Ik miste de Schelde, in Keulen. Ook al zag ik daar de Rijn. Later stagneerde ons leven helemaal, bij een zijriviertje. De Sieg. Water van de nederlaag.

Alles was goed geregeld, bij mijn begrafenis. We waren ons fortuin kwijt gespeeld – het fortuin van mijn ouders, moet ik zeggen – , we hadden ons verbrand in de burgeroorlog, hele decennia uit ons leven moest ik na onze terugkeer voor mijn medeburgers verdonkeremanen: maar ik werd begraven in de oudste en rijkste abdij van mijn vaderstad, onder stenen met een dankbaar opschrift, en mijn jongste zoon liet een schilderij uit Italië boven mijn graf hangen. Er viel zelden zonlicht door de glas-in-loodvensters op de plaats waar de wormen aan mijn restmateriaal knaagden, maar het schilderij straalde van zijn eigen zuiders licht. Warm goud, fluwelig blauw. Kleuren zoals ik ze ook zag op de tapijten die mijn vader verhandelde. Hij liet tapijten weven bij onze eigen wevers, met gouddraad erin dat glansde bij kaarslicht en flakkerend haardvuur. Op de tapijten stonden heidense goden in sandalen en helden, ook dansende boeren en jagende koningen en heilige pausen. Ze hingen aan de muur als schilderijen. Op de tapijten uit Perzië stonden alleen motieven, lijnen, labyrinten en festoenen. Bloeiende tuinen die je in kille kamers kon uitrollen. Als kind liep ik er zo vaak mogelijk overheen, alleen om de heerlijk zachte, dikke wol onder mijn pantoffeltjes te voelen. Dat mocht eigenlijk niet.

Waak

Affiche museum Navigo, Oostduinkerke
Affiche museum Navigo, Oostduinkerke

Femme libre, toujours tu chériras la mer. Op blote voeten de vloed inlopen, wat garnalen kopen, het leven van de vissers en IJslandvaarders leren kennen in een bijzonder charmant museum: ziedaar een verlossende dag weg van het bureau.

Spoor

Het spoor van een voorzaat leidde naar de Koninklijke Bibliotheek. Ik ontdekte dat de zoon een Universele geschiedenis had geschreven, teneinde de Apocalyps te kunnen duiden, en dat de vader een handboek over de opvoeding naliet, waarvan de twee basisbeginselen me wel in orde leken: 1) Secondez la nature – 2) Cultivez le talent.

Th. De Ronquier, Etude et extraits sur l'histoire universelle, Afdeling handschriften, KB
Th. De Ronquier, Etude et extraits sur l’histoire universelle, Afdeling handschriften, KB

Na een verblijf in de leeszaal, de afdeling handschriften en de zaal met kostbare werken is het een bijzonder genoegen om een broodje te eten in de cafetaria, met uitzicht op de immer bewolkte Brusselse hemel en de verre engel Michael.

KB2IMG_0204