
De lieve aangewaaide kattin heeft zondagavond twee nieuwe katjes ter wereld gebracht. Ze schijnen haast gekloond, zo erg gelijken ze op hun moeder.


“Een waarlijk goed en verstandig mens, zo menen wij, draagt alle wisselvalligheden van het lot zoals het behoort, en gebruikt de gegeven omstandigheden altijd om te doen wat het edelste is – net zoals een goed legeraanvoerder de troepen die onder zijn bevel staan op de meest strategische wijze gebruikt, of een schoenmaker de mooiste schoenen vervaardigt uit het leer waarover hij beschikt; en hetzelfde geldt voor alle andere deskundigen en vaklieden. Als dat zo is zal een gelukkig mens nooit diep ongelukkig worden.”
Men hoort zelden een best case scenario vermelden. Aristoteles deed het.
Aristoteles, Ethica, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door C. Pannier en J. Verhaeghe, Historische Uitgeverij, Groningen, 1999, p. 43.
Ter gelegenheid van mijn praatje over Aristoteles, vanavond op Klara, probeerde ik me de naam te herinneren van de prachtige Florentijnse boekhandel waar ik in november 1990 een pocketversie van de Etica Nicomachea kocht. Ik herlas mijn dagboek van dat gelukkige jaar en vond uiteindelijk dankzij het internet dat aloude adres terug. Verdwenen boekhandel onder barok beschilderde gewelven, lievelingsboekhandel van mijn lievelingsdichter Montale. Aan de Via Tornabuoni.

“Niemand toch zal van het lichaam beweren dat het gelukkig te prijzen is omdat het in een schitterend gewaad is gehuld, maar eerder omdat het gezond is en in een goede conditie verkeert, ook al mist het dat zojuist genoemde gewaad.
Zo moet je ook over de ziel denken: je kunt de ziel, en dat geldt ook voor de mens, pas gelukkig noemen, als zij een goede vorming heeft genoten; maar niet de mens die wel met uiterlijke praal is uitgedost maar zelf niets waard is. Ook een paard achten wij niet veel waard als het een gouden toom en kostbaar tuig draagt, maar zelf niet deugt; maar als het in goede conditie verkeert, dan slaan wij dat paard hoog aan.
Afgezien daarvan komt het voor dat wanneer mensen die niets betekenen gefortuneerd raken, zij meer waarde gaan hechten aan hun bezittingen dan aan geestelijke goederen, en iets schandelijkers dan dat bestaat niet.”
Ik neem een boek van een oude filosoof uit de kast, ik open het, en meteen worden weer de puntjes op de i’s gezet. Tweeduizend driehonderd vijftig jaar geleden schreef iemand deze woorden op in Athene. Filosofische begrippen, subtiele onderscheidingen en verbanden, radicale standpunten, een docent en toehoorders, het bestond allemaal al. Ik buig het hoofd omdat ik van schitterende gewaden houd en lees in de krant dat bezittingen het enige zijn wat telt, hoewel diezelfde krant even vrolijk beweert dat ik in een democratische meritocratie leef. Wat geen hedendaags medium me brengt, brengt het werk van Aristoteles vaak wel: rust en vertrouwen. Zoals mijn lerares Latijn soms zegt: “Je kunt je afvragen of het denken sinds de Griekse filosofie veel vooruitgang heeft geboekt.”
Maar laten we ook voetnoot 1 overwegen: “Aristoteles lijkt het Platoonse thema van de koning-filosoof te combineren met een discreet verzoek om materiële steun …” – hij droeg zijn Lof van de wijsbegeerte netwerkend op aan de rijke koning van Cyprus.
Aristoteles, Lof van de wijsbegeerte, vertaald door C. Verhoeven, Historische Uitgeverij, Groningen, 1998, p. 14-15.

De snelheid van de geest lijkt me soms bovennatuurlijk, vergeleken met de weerstand van de materie. Plezierig dan om vast te stellen dat Homeros daarover ook wel eens nadacht.
Zo snel als de gedachte sprongen maakt
bij iemand die veel landen heeft bereisd
en in zijn scherpe geest bedenkt: was ik
maar hier, of daar, en talrijk zijn zijn wensen –
zo snel vloog Hera, eerbiedwaardige
godin, door heel het luchtruim in haar ijver.
En het is bijna ontroerend om Athena, de godin van de wijsheid, te horen zeggen:
Het is geen makkelijke opdracht afkomst
en kroost van alle mensen te beschermen.
Gezien het enthousiasme waarmee de meeste Griekse goden deelnamen aan de menselijke voortplanting, zijn deze woorden van onmacht des te treffender. Dit alles in zang vijftien van de Ilias. Zangen zestien en zeventien puilen uit van de gruwelijke gevechtsscènes.
hij gaf
hem met zijn zwaard met mooi bewerkt gevest
een nekslag. Heel zijn zwaard werd warm van bloed.
Het machtig noodlot legde op zijn ogen
de paarse dood.
Na de Ilias ligt er een boek over de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog klaar. Ik denk dat ze op het vlak van gevechtstaferelen en doodsbeklemming aan elkaar gewaagd zullen zijn.
Homeros, Ilias. Wrok in Troje, vertaald door P. Lateur, Amsterdam, 2010, p. 405, 408, 450.

Een godin maakt zich op. Bij die woorden denkt u misschien aan Charlize Theron die zich laat omvormen en omschminken tot seriemoordenares Aileen Wuornos voor de film Monster. Een briljant staaltje trompe-l’oeil, maar veeleer vermomming dan maquillage. Homeros beschreef 2750 jaar geleden al indringend hoe oppergodin Hera zich verfraait om haar echtgenoot Zeus een loer te draaien.
Eerst waste zij met ambrozijn
van haar bekoorlijk lichaam alle vuil
en wreef zich glanzend in met geurige
en goddelijke olie uit olijven,
een rijk parfum alleen voor haar gemaakt.
Als deze ook maar even werd geschud
in Zeus’ paleis met bronzen drempel, reikte
de geur toch tot de hemel en de aarde.
Zo zalfde zij haar prachtig lichaam, kamde
de haren, en haar handen vlochten ze
tot glanzende en goddelijke tressen,
ze hingen mooi langs haar onsterflijk hoofd.
Zij trok een goddelijke peplos aan,
voor haar met kunst en kunde door Athena
geweven en bezet met veel borduursels.
Met gouden spelden maakte zij het kleed
van voren op haar boezem vast en deed
een gordel om voorzien van honderd kwasten,
en in de fijne gaatjes van haar oorlel
hing zij twee oorbellen met pareltjes
versierd als bessen in een tros van drie.
Heerlijk materiaal voor een kostuumontwerper, om mee aan de slag te gaan. En in die nevel der tijden al geurige olie horen aanprijzen, elke gebruikster van Huile prodigieuse zal glimlachen om dat herkenbare aspect van het dagelijks leven. Dit gezegd zijnde, de Griekse goden blijven me verwonderen: boeiende personages en ondernemende ruziemakers, daar niet van; wellicht ook interessante totems; maar het is zo moeilijk om er, buiten de onsterfelijkheid, iets goddelijks in te ontwaren.
Homeros, Ilias. Wrok in Troje, vertaald door P. Lateur, Amsterdam, 2010, p. 386.
Zoals oorlogspiloten heb ik graag een stuk chocolade op zak bij wijze van noodrantsoen. En deze tabletten van chocolaterie Dolfin uit Braine vervullen me met zoet patriottisme-light en gedachten aan de provincie waaruit mijn familie afkomstig is. Henegouwen, het aloude hartland van de ridderlijkheid. Lees Froissart er maar op na. Dankzij de etymologische uitleg op de verpakking weet ik nu bovendien eindelijk wat babelutte zoal kan betekenen, en dat cuberdon afgeleid zou zijn van cul de bourdon, hommelgat. Smakelijk!

“Te weinig vrouwen in het professorencorps van de universiteiten,” hoor ik over de radio. Vermoedelijk zijn er ook te weinig vrouwelijke huisvuilophalers en beenhouwers, maar daar hoor je zelden over spreken.
En is de sfeer aan onze universiteiten wel aanlokkelijk voor lieden met een wetenschappelijk temperament? “Voortdurende evaluatie” lijkt me bij uitstek een instrument om mensen ongelukkig te maken en slaapverwekkende middelmaat te scheppen.
Anderzijds, wat te denken van sommige administratieve diensten waar vrouwen almaar andere vrouwen aanwerven voor combineerbare deeltijdse jobs en mannen slechts mogen opdraven als computerherstellers?
(Foto via Beeldbank Hoogstraten)

Toen Max Elskamp op het Athenaeum verscheen leek hij niet zwakker dan wie ook van zijn medeleerlingen uit de vierde Latijnsche. Die eigenaardigheid van zijn laat op school komen was snel vergeten. En wat zijn vlijt betreft – Max werkte met een onverschilligheid die gelijk was aan de mijne.
Slechts datgene boeide ons, wat ons toeliet te ontsnappen aan wat wij voorvoelden dat het ons zou brengen in een straatje zonder eind, eens dat wij een vrij beroep zouden kiezen waarvoor wij nu al geen belangstelling hadden.
Integendeel, een vurige passie dreef ons ver van de school naar de haven, naar dit kwartier waar alles het avontuur opriep, waar alles exotisch was en het heimwee opwekte naar wat achter den berookten horizon verscholen lag, door vertrekkende schepen open geschoven alvorens uit onze blikken te verdwijnen.
Wij waren allebei in het Schipperskwartier van Antwerpen geboren. En als wij ons naar de grote sluis van Kattendijk begaven moesten wij er doorheen.
Henry Van de Velde, De poëtische vorming van Max Elskamp, vertaald door L. Zielens, Antwerpen, 1943, p. 14-15.