
In mijn vaders garage ontdekte ik een charmante Whizzer uit 1948 – de windhond onder de motorfietsen. Ooit was het leven goedkoop en bestonden er goedkope vervoermiddelen. Laat de zomer nog even duren, en ik rijd ermee, zo vertel ik mezelf.

Vol vreugde ontdekte ik deze titel in de kast met Oude Pockets in de logeerkamer.
‘Het kwam mijn vader voor dat twee zonen op de universiteit meer was dan zijn beurs kon verdragen. Dus de Studie greep ernaast en de Handel kreeg mij.
Nu denk je waarschijnlijk, Winkler, dat de Handel hier wel bij voer, maar dan heb je het mis. Mogelijk omdat ik een toegewijd kunstenaar was, wiens ziel hoog boven het gesjacher stond of mogelijk – en dit gezichtspunt werd meer ingenomen op kantoor – omdat ik gewoon maar een stomme eend was. Ik bleek de meest ondoelmatige klerk te zijn wiens zitvlak ooit het oppervlak van een kantoorkruk verwarmd had. Ik kon geen kwaad, zolang ze me op de postkamer hielden, waar ik niets anders te doen had dan brieven te frankeren en te verzenden, een taak die juist aangepast was aan mijn kwaliteiten, maar toen ze me op Vaste Deposito’s plaatsten, ging al spoedig het praatje door Lombard Street: “Wodehouse heeft het niet meer. Hij kan er niet tegenop.”
Als er al een moment geweest is in de loop van mijn bankloopbaan waarop ik ook maar een vage indruk had van wat ik nu eigenlijk deed, kan ik mij dat toch niet herinneren.
Van Vaste Deposito’s zeilde ik naar Binnenlandse Wissels – en het heeft geen zin mij te vragen wat Binnenlandse Wissels zijn. Ik heb het nooit ontdekt. – en toen naar Buitenlandse Wissels en naar Kas, altijd met een zwak, verontschuldigend glimlachje op mijn gezicht en hopend dat mijn vriendelijke karakter me erdoorheen zou slepen, als ik tekort zou schieten in de uitvoering van mijn geheimzinnige verplichtingen en ik wist dat dat binnenkort moest gebeuren.’
De Londense City heeft dus ooit wel P.G. Wodehouse aan de wereld geschonken. Een goed punt.
De man met de rare voornamen nam soms wraak door zijn personages met gelijkaardige lasten op te zadelen. Mijn favoriet is zijn keuze om de financier L.G. Trotter niet Leonard Graham, maar wel Lemuel Gengulphus te dopen.
P.G. Wodehouse, Wodehouse over Wodehouse. Een autobiografie met uitweidingen, vertaald door B.H. Loof, Prisma-Boeken, Utrecht-Antwerpen.

Enkele dagen geleden zag ik hoe mijn favoriete beeld in Leuven beklad was: vandalen hadden een pot beige verf uitgekapt over Rik Poots Vallend paard, in de tuin van het Erasmushuis. Blijkbaar hadden de onverlaten met hun potten verf een hele route uitgestippeld. Ook op het Ladeuzeplein en het Quinten Metsysplein was met beige verf geknoeid.
Gisteren was de verf van het beeld verwijderd, niet zonder wijziging in het patina. Het paard doet me altijd denken aan de renaissanceschilder Piero della Francesca en zijn fresco’s in Arezzo – nauwkeuriger nog, het herinnert me aan het hinnikende zwarte paard links op het omslag van een handboek uit mijn studententijd. Een detail waar ik altijd weer van genoot. Misschien bezat Rik Poot wel hetzelfde boek en trof hem hetzelfde fragment?
Gisteren schreef Frankel eens te meer geschiedenis. Imperious, glorious, majestic – de commentatoren graaien naar de hoogste adjectieven. Misschien is de aanblik van deze wil en het vermogen om te winnen zo mooi, omdat we tijdelijk verlost worden van onze kennis van het leven, samen te vatten als: “Och, ’t is altijd wel iets”? Zonder vlek of smet, dat blijft zijn blazoen.
Het is een zomeravontuur: een gewonde buizerd opmerken tijdens het grasmaaien, buren verwittigen, een opvangcentrum contacteren. ’s Avonds in het bosje de ogen van drie reeën zien glinsteren en een vos ruiken. De buizerd vangen, in een sloot, met een schepnet, en naar het opvangcentrum brengen. “Nu heb ik eens in de ogen van een buizerd gekeken – het was mooi.” Vleugel uit de koot, intussen herstellend.
En al die tijd zat ik in het archief.
Tent via Field Candy

“De quade gheesten hadden alte scaerpe yserine vorken, die altoos gloyende waren …” Het is wel vermakelijk, op een warme dag een reisgids van de hel te lezen. Spannende beschrijvingen van de hel waren de middeleeuwse methode om mensen een geweten te schoppen. De schrijvers van toen verwezen naar het hiernamaals, onze hedendaagse journalisten hoeven hun fantasie niet in te schakelen en kunnen steevast plaatsen en situaties op aarde vermelden ter afschrikking. De middeleeuwse auteurs toonden gretig pausen, bisschoppen en andere geestelijken in het hellevuur; blijkbaar geloofden ze dat voorbeeldfuncties verplichtingen met zich meebrengen. Van Rupert Murdoch hadden die naïeve zielen nog heel wat kunnen leren.
Tondalus’ visioen. Naar het Gentsche handschrift, met inleiding, aantekeningen en bibliographie door A.T.W. Bellemans, Antwerpen, 1945.

De apocriefen, zo stel ik al lezend vast, zijn terecht apocriefen. Weg met die sfeer van achtervolgingswaanzin en complottheorieën, waarin de erkende bijbelboeken fungeren als een door duistere machinaties in stand gehouden rookgordijn en de apocriefen de gruwelijke verborgen waarheid over het christendom zouden bevatten. U kent het wel, Dan Brown leeft ervan. Wel, in vroeger eeuwen leefden er ook fantasten, die ook bestsellers schreven – de auteurs van de apocriefen. Met die verstande dat hun doel niet zozeer commercieel was als wel didactisch. Ze stelden zich vragen en poogden die te beantwoorden: wat betekende dat nu juist, het geloof dat elke ziel beoordeeld zal worden naar goed en kwaad? De schrijver van het Visioen van Paulus leefde vermoedelijk in de derde eeuw in Egypte en zijn onderhoudende, hier en daar zelfs pakkende verslag over Paulus’ tocht naar de hemel en de hel werd de hele middeleeuwen door gretig gelezen en vertaald in vele Europese volkstalen. Zo beïnvloedde het boek de voorstellingen van hemel en hel in de schilderkunst. En mogelijk ook Dante.
Hoe pakt de vroegchristelijke Dan Brown het aan om de lezers te overtuigen van het gewicht van zijn tekst? Als in een Indiana-Jonesfilm, gek genoeg.
“Onder het consulaat van Theodosius Augustus de Jonge en Constantius leefde er een gerespecteerde man die in Tarsus woonde, in het huis dat aan Sint-Paulus had toebehoord. ’s Nachts verscheen hem een engel, die hem een openbaring bracht: hij zei hem dat hij de funderingen van het huis moest doorzoeken en wat hij daar vond, publiek moest maken. De man dacht dat het een hallucinatie was.
Maar de engel keerde terug en de derde keer geselde hij de man en dwong hem naar de funderingen te gaan. Al gravend vond de man een marmeren kist met opschriften op de zijkanten, die de openbaring van Paulus bevatte en de sandalen die hij droeg toen hij het woord van God ging onderwijzen. De man was bang om de kist te openen en bracht haar naar een rechter; deze, vrezend dat het om iets anders ging, verzond de kist ongeopend en verzegeld met lood naar keizer Theodosius. De keizer ontving de kist, opende haar en vond de openbaring van Sint-Paulus; hij zond er een kopie van naar Jeruzalem en hield het origineel bij zich.” (Vertaald door LH)
Hierna komt dan zogenaamd Paulus zelf aan het woord. De schrijver vergaloppeert zich door die perspectiefwijziging en legt zijn apostel nogal wat onlogische beslissingen en onkiese zelfverheerlijking in de mond.
Ecrits apocryphes chrétiens I, uitgegeven onder redactie van F. Bovon en P. Geoltrain, (Bibliothèque de la Pléiade 482), Parijs, 2009, p. 787-788.

Goede boeken uit de zestiende eeuw, geschreven in onze hoek van Europa? Tja, er is de Lof der Zotheid van Erasmus, Utopia van Thomas More, Over de Standvastigheid van Justus Lipsius. Je hebt de vermoeiende carnavalshumor van Rabelais, de heerlijke vriendschap van Montaigne. Zeker. Maar nu lees ik voor het eerst de Vier Brieven over het gezantschap naar Turkije van Ogier Ghiselijn van Boesbeeck en ik ben verbluft. Boesbeeck werd in 1555 door keizer Ferdinand als gezant naar de sultan in Constantinopel/Istanbul gestuurd en zou uiteindelijk verschillende jaren in het Ottomaanse rijk doorbrengen. Wie houdt van het werk van Orhan Pamuk zal genieten van deze wonderlijke kennismaking met Turkije, beschreven door een bekwame en moedige humanist. Boesbeeck bracht overigens de tulp mee uit Turkije, de sering, de plataan en de paardenkastanje, naast belangrijke aantekeningen over Romeinse momumenten op het Ottomaanse grondgebied. En hij beschrijft meeslepend de intriges aan het hof (hoe sultan Suleyman zijn oudste zoon Mustafa liet vermoorden, hoe zijn zonen Selim en Bayazid elkaar naar het leven stonden, hoe de christelijke slavin Roxelana het schopte tot wettige vrouw van de sultan en daarna de zonen van zijn andere vrouwen uit de weg liet ruimen) en de gewoonten van de mensen van Istanbul. Dit boek leert me heel wat over Europese geschiedenis en een en ander over Europese identiteit.
“Vrijheid zonder bezit is niet altijd een betrouwbaar raadgeefster. Niet ieders karakter is opgewassen tegen vrijheid in armoede en niet ieder van ons is zo geboren, dat hij zichzelf weet te leiden en een juist gebruik weet te maken van zijn vrijheid.”
Laten we toch maar vasthouden aan die fundamentele fictie van de vrijheid. De oplossingen die daaruit voortkomen, zijn beter dan de slordige oplossing die de slavernij biedt.
Ogier Ghiselin van Boesbeeck, Vier brieven over het gezantschap naar Turkije, uit het Latijn vertaald door M. Goldsteen en ingeleid door Z. von Martels, Hilversum, Verloren, 1994.
Over de tekening: Melchior Lorck reisde mee in het gezelschap van Boesbeeck.

Mooi weer om naar het archief te trekken, en daar te grasduinen in de briefwisseling van een uitmuntende kunstverzamelaar, ja, de stijgende spanning van de jacht mee te beleven. Is dit een echte oude Bruegel? Is hij door de Zweden in 1648 meegeroofd uit Praag? Waar is de inventaris van Rudolf II? En wie was Christina Metsys? Waarschijnlijk erg raar, om in die omgeving vast te stellen: “Kijk eens aan, ik ben gelukkig.”