Wie de machtige Frankel wil zien racen, stemme deze namiddag af op BBC1.
Tania Kindersley vertelt u waarom.
(Frankel won zijn elfde race op rij met zijn beste prestatie ooit – dit overstijgt het gewone leven.)
Wie de machtige Frankel wil zien racen, stemme deze namiddag af op BBC1.
Tania Kindersley vertelt u waarom.
(Frankel won zijn elfde race op rij met zijn beste prestatie ooit – dit overstijgt het gewone leven.)
“Er was de weg naar school, smalle macadam tussen twee beukenhagen. Misschien viel daar het woord België voor het eerst. Aan het prikbord hing een prent van besnorde en bierbrouwende oude Belgen naast een prent van foltertuigen. De juffrouwen, glimlachende dames in roze of marineblauwe jurken die mooi konden zingen, vertelden dat ons land een gematigd klimaat kende en dat we geen aardbevingen of vulkaanuitbarstingen hoefden te vrezen. Voor mensen die arm waren, bestond er in elk dorp hulp; en wie iets slechts had gedaan, werd niet gevierendeeld of opgehangen, maar kwam gewoon in de gevangenis terecht. Hun uitleg gaf een veilig gevoel. En achter de beukenhagen lagen tuinen,daarachter het speelplein met zijn blauwe, rode en groene schommels, zijn zwembad en minigolfterreintje, daarachter dreven en bossen en huizen met zwartwitte tegels in de kelder en dode vliegen op de vensterbank van de zolder.” (Mijn België, derde druk, 2009, p. 58.)

Gisteren bezocht ik voor het eerst sinds tientallen jaren mijn lagere-schooltje. Het negentiende-eeuwse gebouw is onlangs gerestaureerd.
De speelplaats vervulde me met weemoed. Ziet u die bankjes, onder het afdak?

Voor het eerst stond het deurtje open dat de jongensspeelplaats scheidde van de onze. Op hun terrein trof ik iets aan dat ik nooit eerder had gezien.

In de jongensschool werden de gesneuvelde oudleerlingen elk jaar op de dag voor 11 november herdacht, hoorde ik. Hun namen werden afgeroepen en de leerlingen zongen een vaderlandslievend lied.

Ik leerde hier lezen met behulp van oude wandprenten. Leen doos wol hen riet Rik rijf jas zon maan put vuur.
Bovenaan de trap naar de klassen herinnerde ik me plotseling hoe ik hier ooit stapte, heel gelukkig omdat ik een nieuwe groene jurk met bloemen droeg. Een ander meisje zei me toen dat die jurk helemaal niet zo mooi was. Het trof me dat groene stof met bloemendessin blijkbaar nog altijd aanwezig is in mijn leven, daarom fotografeerde ik mijn sjaal mee.
“Ik smijt dit even op de composthoop.” – “Neenee, geef dat aan de kippen, die lusten dat.” – “Ik geef dat niet aan de kippen, het zijn eierschalen, dat is kannibalisme. Eierschalen en theezakjes, anders niks.” – “O, okee dan.”
Ik vraag me al lang af of dit de ware taal van het leven is, die stroom aan dagelijkse mededelingen. Misschien wel. En op de achtergrond kan dan muziek in je hoofd opwellen, of zelfs een kwatrijn.
Often rebuked, yet always back returning
To those first feelings that were born with me …
Hoe langer men leeft, hoe beter men deze first feelings herkent. De gevoelens, misschien, die men al in de moederschoot begon te ontwikkelen. Voorspellen wanneer ze uit de hand zullen lopen, dat is weer een ander paar mouwen.

Toch een onverwachte gebeurtenis, zo’n uiltje op de vensterbank.

En twee mooie paarden komt men ook niet alle dagen tegen in de Antwerpse Keizerstraat. Voor hen brak de zon door de wolken, boven mij barstte een plensbui los die het hele concept zomergarderobe belachelijk maakte. Hoezo, u draagt een katoenen jurk en open schoenen in juni? Jeans, laarzen en regenjassen, die heeft een mens hier nodig!
Lolita heeft vaak het slechtste losgemaakt in de ontwerpers van boekomslagen, maar tussen deze zeldzame uitgaven zitten enkele doeltreffende, beklemmende beelden. En met plezier herken ik, links op de middelste rij, een inwoner van mijn boekenkast: de eerste Nederlandse uitgave, vertaald, als ik me niet vergis, door die mysterieuze M. Coutinho.
(Er zit soms toch wel wat in dat onderscheid tussen gevorderde en niet-gevorderde lezers, bedenk ik nu. Ik las Lolita voor het eerst als tiener en trapte helemaal in het pleidooi pro domo van die gek Humbert Humbert. Mogelijkerwijze vond ik het zelfs romantisch. Nu huiver ik van schaamte bij die herinnering – een goede morele les. De bedrieglijke verteller bleef overigens maar opduiken in Nabokovs oeuvre – er is die andere gevaarlijke gek, in Bleek vuur, er is de plaaggeest in Pnin. Nabokov lezen is een goede training voor wie alle trucs van propaganda wil leren kennen door ze aan den lijve te ondervinden.)
Via Breathing Books
Ik wilde over melancholie schrijven, maar Lemmy Kilmister van Motörhead kwam ertussen. In een nogal geestig en filosofisch gesprek op de televisie zei hij tweemaal: “Je kunt niet alles hebben – waar zou je ’t laten?” Het herinnerde me aan een uitspraak van La Esterella, zoals vertolkt door Chris Van den Durpel: “Ge kunt niet alles hebben he. Waar zoudt ge ’t zetten?” Een wonderlijke coïncidentie.
De stoere muzikant strekte ook enkele keren de benen en wandelde een eindje. Het gaf me de gelegenheid om zijn bijzonder doeltreffende swagger te analyseren, en zelfs na te bootsen. Bij elke wijdbeense stap eventjes door de knieën zakken, dat lijkt me het geheim.
Enkele jaren geleden zag ik deze foto voor het eerst. Amerikaanse en Poolse officieren tonen De dame met de hermelijn van Leonardo da Vinci, door de nazi’s geroofd uit Krakau en na de oorlog teruggevonden in de beruchte zoutmijn van Altaussee, in de Oostenrijkse Alpen. Deze officieren hebben er in 1946 voor gezorgd dat het schilderij naar het Czartoriskymuseum kon terugkeren. De foto schokte me. Plotseling besefte ik wat een kostbaar kunstwerk eigenlijk is: in dit geval, een paar planken met verf erop.
De Amerikaanse president had al in 1943 een groep experts bijeengebracht die informatie verzamelden over door de nazi’s in Europa geroofde kunstwerken en die in 1944 de oceaan overstaken om deze kunstschatten niet alleen te vinden, maar ook terug te bezorgen aan de rechtmatige eigenaars. De experts werden de Monuments Men genoemd (hoewel er ook vrouwen meewerkten). Nu ik wat meer over hen opzoek, stuit ik op dit pakkende beeld: de herontdekking van het middenpaneel van het Lam Gods, eveneens in Altaussee. Let ook op de achtergrond.
Het doet me groot plezier, dat vooraanstaande Belgische kunsthistorici (Frans Baudouin, Leo Van Puyvelde, Raymond Lemaire, om er slechts enkele te noemen) deel uitmaakten van de Monuments Men.
Gisteren werd in de extra verfraaide tuin van het Rockoxhuis het nieuwe boek van Noëlla Elpers voorgesteld: Malou van de mussen. Ik verheug mij erop om deze jeugdroman, grotendeels gesitueerd in het Rockoxhuis, te lezen. Noëlla Elpers vertelde ons dat ze veel details uit onze Rockoxbiografie gebruikt heeft voor de opbouw van haar plot en personages. Vorig jaar schreef Peter Holvoet-Hanssen een prachtig stadsgedicht over Rockox, dat nog steeds op groot formaat in de tuin te bewonderen is; dit jaar is er Malou. Het is een wat ongewone, mooie ervaring, om boeken en gedichten ook een familie te zien vormen.

“Zijn de mensen je tot last? Hier zul je tot jezelf komen. Hebben bezigheden je uitgeput? Hier zul je met nieuwe kracht vervuld worden, waar de geest het voedsel van de rust vindt en uit de zuivere lucht inspiratie tot een nieuw leven opdoet. Neem de wijsgeren van vroeger: in tuinen hebben zij gewoond; de geleerden van vandaag: in tuinen scheppen zij genoegen en daar zijn hun meeste, goddelijke geschriften ontstaan, die wij bewonderen en die geen ouderdom en loop der tijden zullen doen verdwijnen. Aan het groenbegroeide Lyceum danken wij vele uiteenzettingen over de natuur, aan de belommerde Academie vele ook over de zeden, en uit die ruime tuinen hebben zich de rijke stromen der wijsheid verbreid, die wij drinken, en die met hun vruchtbare watervloed de aarde overstroomd hebben. Natuurlijk verheft de geest zich meer en richt hij zich meer naar het hogere, wanneer hij vrij en ongebonden zijn hemel ziet, dan wanneer hij in de kerkers van huizen en steden opgesloten en vastgebonden wordt.”
Aldus Carolus Langius omstreeks 1570 in zijn beroemde tuin bij Luik, tot Justus Lipsius. Lipsius bewerkte hun gesprekken later tot de bestseller De Constantia. Zelden zal uit een filosofische verhandeling over ongelukken en burgeroorlog zoveel liefde voor tuinen hebben gesproken. Bewonderaars van Lipsius hebben er zeker groene vingers van gekregen. Een van hen was Nicolaas Rockox. Het museum Rockoxhuis pakt de komende maanden uit met een mooie kleine tentoonstelling om en rond zijn binnentuin.
Justus Lipsius, Over de standvastigheid bij algemene rampspoed, vertaald door P. Schrijvers, Baarn, 1983, p. 91.