
“Ik keek rondom mij en zag dat er veel te schilderen was.” Die zin uit de memoires van Gustave Van de Woestyne heb ik altijd onthouden. Veel meer woorden maakt hij in zijn autobiografie niet vuil aan het uiteenzetten van zijn kunstzinnige ideeën.
Jaren geleden vond ik in een antiquariaat de lelijke, slordige uitgave uit 1979 van Van de Woestynes memoires: toch een kostbaar boek, door de schijnbaar naïeve, meeslepende herinneringen van de meester aan zijn broer Karel, de dichter, en aan de kunstenaarskolonie van Sint-Martens-Latem. Dat werd dan een hoofdstukje in Oud papier. Nu brengt het Davidsfonds tot mijn vreugde een nieuwe, verzorgde uitgave van het Memento op de markt, met een boeiende inleiding en nawoord, verklarende noten en een personenregister. En dus kunt u in alle rust genieten van dit juweeltje, dat de status van klassiek werk verdient. Misschien wenkt daarna een museum, om die fameuze schilderijen van Gustave eens aandachtig te gaan bekijken. Dat heeft bij mijn weten nog niemand zich beklaagd.
Bij het herschikken van mijn vaders boeken stuitte ik op dit fraaie titeltje. De originele druk uit 1969. Een mens leert alle dagen bij. Een leven lang heb ik enthousiaste gesprekken over Mercedes-Benz en zelfs Mercedes Jelinek gehoord, maar ik wist niet dat de ster van het merk een symbolische betekenis had. De drie lijnen die de ster vormen, staan voor de lucht, het land en de zee, alle drie veroverd door de verbrandingsmotor.
Een vriendin zond mij een mooie papieren roodborst. Ik liet hem neerstrijken tussen de knobbelzwaan en de wulp, op het kastje van mijn grootmoeder. En, onvermijdelijk nu, bij de net afgekookte en verpakte mondmaskers.
Omdat de verjaardag van Martial Van Schelle ( 6 juli 1899-15 maart 1943) meteen volgt op die van mijn moeder, ontbeet ik met heerlijke slagroomtaart van gisteren. En daarna begaf ik me naar Van Schelles kapelletje, om met behulp van een foto en een tekst passanten te informeren over dit bijzondere leven van een atleet, een avonturier, een zakenman en een vrijheidsstrijder.

Rouwen heeft zijn zachtaardige kant. Mensen schrijven mooie berichten. Mooie brieven vallen in de brievenbus. Mensen bakken een quiche met asperges en zetten ze, geheel volgens de quarantainemaatregelen, af op de terrastafel. Ze brengen boeketten mee uit eigen tuin, rabarber, aardbeien, jonge sla. “Uit de couche,” familieuitdrukking, ik hoor het mijn grootvader ook nog zeggen. Of ze schenken je een mooi boek uit hun flora-collectie, en bloemenzaad. Blue boy korenbloemen. Ik kijk ernaar en herinner me opeens met een schokje dat mijn mevrouw Renaissance ook van korenbloemen houdt. Vroeger schreef ik verhalen. Juist ja, zo zat het.
Ik vond ’s ochtends iets op de vloer van het achterhuis. Het verdoofde schepsel deed me op het eerste gezicht denken aan de meikevers die ik als kind uit de beukenhaag plukte en mee naar school nam in een luciferdoosje, gevoerd met een zacht beukenblad. Met een stuk karton en een glas vervoerde ik het insect naar het terras. Helaas, daar bleek het een hoornaar te zijn. Hij klemde zich een uur lang vast aan de rand van de tafel. Uiteindelijk bekwam hij in de eerste zonnewarmte. Na een uur of twee steeg hij plotseling vastberaden op, onderweg nog enige druppels gif uitpersend. Vaarwel, elders is het beter!