Ik vouw een ezelsoor in de bladzijde, nog vaker markeer ik met mijn duimnagel de marge. U vindt dit barbaars? Hugo Claus maakte brandvlekken met zijn sigaret, naast mooie passages. Lippenstift lijkt me in bepaalde gevallen ook nog bruikbaar.
Chateaubriand beschrijft het Hradschin in Praag.
“Niet ver van deze vormeloze massa’s stak een mooi gebouwtje, gekleed in een elegante cinquecentoportiek, tegen de hemel af: deze architectuur heeft het ongemak, niet in overeenstemming te zijn met het klimaat. Als men ten minste, tijdens de Boheemse winters, deze Italiaanse paleizen in een warme serre kon plaatsen, samen met de palmbomen? Ik dacht altijd aan de koude die ze ’s nachts moesten lijden.”
F.-R. de Chateaubriand, Mémoires d’outre-tombe, livre trente-huitième, chapitre dix.
Klassiek
Soms is het al een tijd geleden dat men nog eens een klassiek boek uit het eigen vakgebied heeft gelezen. Herontdekking is dan een blijde gebeurtenis.
“Men moet het niet te nauw nemen met het ‘belangeloze welbehagen’ waarover de aesthetici zo gaarne spreken. Wanneer ik mij onder de toeschouwers bevind, deel ik wel niet in de gebeurtenissen op het toneel, maar ik neem wel deel aan hen door mijn medeleven. Mijn nieuwsgierigheid en weetgierigheid worden geprikkeld. ‘Belangeloos’ kan hier slechts betekenen: die gebeurtenissen behoren niet tot de werkelijkheid, waarin ik ben verdiept, ik kan ze als het ware met de zalige ogen van een gestorvene aanschouwen. Een genre-tafereel herinnert mij aan gezinsgeluk, huiselijke behagelijkheid of gezellige genoeglijkheid, aan toestanden en belevenissen van mijn werkelijkheid. Landschapsstukken roepen mij reizen of tochten in het geheugen of een streek, waarin ik gaarne heb vertoefd en waar ik eventueel ook heb geleden. Maar alles is helder en licht geworden, van zijn scherpe kanten ontdaan, zoals bij dingen op een afstand naar tijd en ruimte. Vrijwillig, zonder enige dwang, keer ik mij tot het beeld – dit is een beslissend punt – en verwerf daarbij de superieure rust, het geluk van de zuivere beschouwing. Zien zonder vooropgezet doel is genietend zien. De kunst schept een tweede wereld, waarin ik niet acteur maar toeschouwer ben en die wereld gelijkt op het paradijs.”
Max J. Friedländer, Kunst en kennerschap, Nederlands door Dr. Anne Berendsen, Leiden, 1948, p. 20.
Patroon

Vissers, kappers en naaisters voor haute-couture hebben hun patroonheiligen, vertalers ook. Op schilderijen krijgt Hieronymus vaak een mooie studeerkamer mee, dat is een prettige bonus. In Zeno X Gallery toont AMVK nog steeds haar rijdende studeerkamers/carrels, op de afbeelding hierboven lijkt het studeervertrek op een alkoof, met een gordijn afgesloten. Concentratie, meer heeft een mens niet nodig.
En opeens sta ik in gedachten op piazza Ognissanti. Zo weids, zo mondain, zo Frans, zo Engels. Institut français, English bookshop, een standbeeld van Carlo Goldoni, een snoepwinkel, een heel mooie jas in een herinnerde, verdwenen etalage. Hoe zou het er zijn?
Bar du matin
Bar du Matin, Radio 1, zondag 28 september, tussen 8 uur en half negen.
Madame Vigée

“Falling in love again” waren de woorden die door mijn hoofd flitsten bij het betreden van de zaal portretten in de Rubenstentoonstelling. Een ontroerende tekening van Watteau veroorzaakte dit gevoel en dit refrein, maar ik vind er geen afbeelding van, en iets dat zo delicaat is kan men het beste met eigen ogen gaan bekijken. Watteaus landgenote Mme Vigée-Lebrun liet zich inspireren door Rubens’ Chapeau de paille en leverde dit meesterwerk af. De bloemen op de hoed alleen al! En intussen worden de zomerse chapeaux de paille overal opgeborgen voor een jaar.
Kijk verder
Ros en Rubens
Unie

Ik oversliep me, de anderen waren al klaar met ontbijten.
“Is er al nieuws van Schotland?”
“Ja,” zei mijn vader. Hij pauzeerde. Ik voelde mijn spanning stijgen. “Vijfenvijftig percent tegen onafhankelijkheid, vijfenveertig percent voor.”
Het deed me ondanks alles goed. Hier hoeven niet om de haverklap nieuwe landen te ontstaan, we zijn toch geen continent van dictaturen? En een verstandshuwelijk dat al driehonderd jaar duurt, is, zo blijkt nu, moeilijk te ontwrichten. Misschien wel moeilijker dan een huwelijk.
Modellenwerk

Een boeiende tentoonstelling over maquettes in het voormalige Antwerpse Volkskundemuseum. Ontroerend om die ruimte weer eens te betreden, voor het eerst sinds 2007, en prettig om al die miniatuur-ruimtes daar te bestuderen. Boerentoren, Blauwe Toren… Misschien vond ik de maquette die Matthieu Van Bree in 1822 maakte wel het charmantste, omdat ze me herinnerde aan speelgoed dat ik vroeger voor mezelf in elkaar knutselde.

Vlaamse reuzen
De onvolprezen Pom over zijn loopbaan als striptekenaar:
“Vroeger had ik wat meer energie dan nu. En ik heb ’t volgehouden! Daarom ben ik nu mislukt!”
Daar kun je als kunstenaar in een klein land eens rustig over nadenken.
De geduldige interviewer vervolgt: “Pom lijkt mij nogal vrijheidslievend te zijn.” En Pom antwoordt: “O ja! Zeker! Nondedjol! Luister. Ik heb al de nadelen van een zelfstandige, alle miserie. Maar ik wil er ook een beetje het enige voordeel van hebben. En dat is dat ik aan iedereen mijn voeten kan vegen.”
Heerlijk. Maar het beste moet nog komen.
Interviewer Jan Smet: “Welk publiek wilt gij bereiken?”
Pom: “Onnozelaars die ’t kopen.”
Een boek dat je zo hartelijk doet lachen, mag blijven.



