Spreekwoorden

Wie had gedacht dat Erasmus’ Adagia zulke boeiende lectuur zouden blijken te zijn? Veel meer nog dan een spreekwoordenverzameling – al prettig op zich – is dit een bundel columns, kleine geschiedenislessen over de oudheid, humoristische anekdoten en persoonlijke beschouwingen van een sprankelende intellectueel. In de heldere en zwierige vertaling van Jeanine De Landtsheer een waar genot om te lezen.
De duistere aspecten van het leven in de oudheid worden overigens niet met de mantel der liefde bedekt, getuige daarvan de verklaring bij het spreekwoord Wie een kalf heeft gedragen, zal een stier dragen.
“Blijkbaar is dit spreekwoord in een bordeel ontstaan, maar het kan gemakkelijk op een fatsoenlijker manier worden gebruikt, indien we eronder verstaan dat wie in zijn jeugd met kleine misdrijfjes vertrouwd was, als man veel zwaarder misdaden zal begaan. In de fragmenten van Petronius Arbiter luidt het: ‘Ik stond versteld en ik verzekerde dat een jongen als Giton, de deugdzaamheid in persoon, zijn lusten niet zou kunnen bevredigen en dat het meisje niet oud genoeg was om de wet, die onderwerping vraagt van vrouwen, te aanvaarden. “Dus,” zei Quartilla, “is ze nog jonger dan ik toen ik me aan een man onderwierp? Juno, mijn beschermvrouwe, mag haar woede over me uitstorten indien ik me kan herinneren dat ik ooit maagd ben geweest. Want als peuter werd ik al misbruikt samen met mijn leeftijdgenootjes en daarna heb ik in de loop der jaren mezelf aan oudere jongens toegewijd, tot ik mijn huidige leeftijd bereikte.” Ik geloof dat hieruit het gezegde is ontstaan dat wie een kalf heeft gedragen, een stier zal dragen.’
Het is zeker niet dwaas om de uitdrukking in verband te brengen met de krachtpatserij van Milo van Croton. Hij kweekte de gewoonte om dagelijks een bepaalde afstand af te leggen met een kalf op zijn schouders; toen het tot een stier was opgegroeid kon hij die zonder problemen torsen. Het spreekwoord geldt dus voor mensen die zich geleidelijk wennen aan de moeilijkste opgaven.”

Desiderius Erasmus, Spreekwoorden. Adagia, vertaald en toegelicht door Jeanine de Landtsheer, Amsterdam, 2011, p. 49-50.

X-treem

Vappa vilissima

Zonder twijfel het grappigste Latijnse boekje op mijn rek: Henry Beard, X-treme Latin. All the Latin You Need to Know For Surviving the 21st Century, Londen, 2004.

Bijt van u af, neem deel aan realityshows, schrijf actuele bestsellers, zing countryhits, allemaal in de taal van Catullus. Go ahead, punk, make my day – Age, catamite, fac mihi hunc diem felicissimum!

Hopus

Wat krijgen we nu? Staat hier echt het woord Cerevisae? En: terrae fructus hominisque studium? Vrucht van de aarde en van mensenlabeur. Om de een of andere reden verwachtte ik geen Latijn op het etiket van een bierflesje, dat net samen met een zakje chips in de nachtwinkel was aangekocht. Brutus amarus flavusque – pure poëzie, dat “straf, bitter en blond”. (Straf, wat een mooie en ietwat onverwachte vertaling van het woord brutus.) Potius bibendum est ante, meldde de achterkant nog, Tenminste houdbaar tot. En vijf hoppen, dat vertaal je als V lupuli, leerde ik (ja, Caesar, Livius en Tacitus hadden het nu eenmaal nooit over de ingrediënten, de compositio van bier, op mijn middelbare school). Het leek alsof ik het een Romeinse soldaat hoorde bestellen, in de kantine van een noordelijk castrum, circa het jaar 200: Commilito, geef mij maar een Hopus.

Antiek modern

Quintus Ennius (Museo della Civiltà romana, Rome)

De oude Romeinse dichter Ennius heb ik leren kennen dankzij Nicolaas Rockox. De burgemeester en zijn vrienden vormden een club van literaire fijnproevers, waar men Ennius citeerde alsof het niets was. Zulke burgemeesters maken ze niet meer.Tiens, dacht ik, een naam die we nooit in de Latijnse les zijn tegengekomen. Zijn werk is maar in stukken en brokken bewaard, niet de schuld van de middeleeuwse monniken in hun scriptoria maar van de oudheid zelf. Vincent Hunink heeft een Nederlandse vertaling gemaakt, in een toegankelijke uitgave. Ik lees en geniet. Hier en daar een handvol verzen. Een glimp, een schittering. Ennius kwam uit Zuid-Italië en groeide drietalig op: zijn moedertaal was Oscisch, daarbij voegden zich Grieks en het Latijn van Rome. Hij moet een talengenie zijn geweest, want hij, de buitenstaander, maakte Latijn tot een bloeiende cultuurtaal, gevat in de statige Griekse hexameter. Meer dan de klassieke auteurs die we op school lazen beleefde hij plezier aan zijn talenknobbel: ik zie woordspel, alliteratie, een soort zonnige uitbundigheid. Die rare archaïsche vormen ogen in zijn verzen op de een of andere manier vertrouwd, ‘romaans’, als een meer instinctieve vorm van Latijn. ‘transnavit cita per teneras caliginis auras’ – ‘doorzwom gezwind de dunne vlagen van het donker’ – kijk, dat vind ik een stralende regel. Je ziet de zwarte wolkenflarden voor je. ‘hastati spargunt hastas; fit ferreus imber’ – ‘gespeerden strooien speren; ijzer regent neer’. Ergens heeft Ennius zichzelf ‘het oude renpaard’ genoemd. Hij was een volbloed, zoveel is zeker. En hij wist paarden prachtig te beschrijven, alweer in vurige glimpen. Fragmenten van het hoogste literaire niveau, vaak maar een zinnetje lang: dat noem ik nog eens ideale vakantieliteratuur.

Quintus Ennius, Annalen, bezorgd en vertaald door Vincent Hunink, (Bibliotheca Latina Archaica, 2), Uitgeverij Voltaire, ’s Hertogenbosch, 2006.

Alicia

Mijn maandagen staan in het teken van Alice, of, in de Latijnse versie, Alicia. Aliciam iam incipiebat taedere iuxta sororem suam in ripa sedere nec quidquam habere quod faceret … Terwijl we vertalen, bekijken we de prachtige illustraties van Anthony Browne, geïnspireerd door René Magritte. Maar in 1903 verfilmde Cecil Hepworth het boek al op een schitterende manier. O, de hertogin wier baby in een big verandert! O, de stok kaarten! En zo begin ik na te denken over de kinderen die deze film zagen in het begin van de twintigste eeuw. Welgestelde kinderen uit Londen of kinderen in verre mijnwerkersdorpen?

Terra mirabilis

Ah, de Britten, en hun goede gewoonte om kinderboeken van verhelderende kaarten te voorzien! Wie achter het witte konijn met de roze ogen aanloopt (voor de liefhebbers: cuniculus albus oculis rubeis) hoeft niet, zoals Alice eertijds, hopeloos te verdwalen.

L. Carroll, Alicia in Terra Mirabili, Latine redditus ab C. Harcourt Carruthers, Londen, 1994.

Zondags

De bruiloftsgod vertrekt van hier in zijn saffranen
Gewaad, door d’ope lucht naar ’t rijk der Tracianen …

Aldus Vondel naar Ovidius. In de krokus vang ik een glimp op van hoe zo’n saffranen bruiloftsgewaad er uit zou kunnen zien.